Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
250.535
Art. 9ter Vw. – zonder voorwerp – reeds in bezit van diplomatiek verblijf – beperkte verblijfsduur – verblijf op meerdere gronden niet mogelijk – belang – verwerping

Verweerder werpt in de nota met opmerkingen op dat verzoekers het vereiste belang ontberen daar zij reeds beschikken over een meer verregaand verblijfsrecht dan datgene dat zij wensen te verkrijgen.

 

De Raad stelt vast dat verzoekers niet betwisten dat zij beschikken over een door de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken afgegeven identiteitskaart die geldig is tot 23 september 2022. Zij houden evenwel voor dat hun recht op verblijf is verbonden aan de activiteiten van M.K.M., die in België werkzaam is als ambassadeur van de Salomonseilanden, en dat steeds een einde kan worden gesteld aan diens diplomatieke zending. Zij menen dan ook dat het feit dat zij actueel beschikken over een geprivilegieerd statuut, dat is verbonden aan een diplomatieke zending, er niet aan in de weg staat dat zij een verblijfsmachtiging, met toepassing van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, aanvragen. Zij betogen dat een verblijfsmachtiging op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet op termijn aanleiding kan geven tot een verblijf van onbeperkte duur, terwijl hun huidig diplomatiek statuut niet kan leiden tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk.

 

De Raad dient allereerst vast te stellen dat alleen eerste verzoekster, F.M., aangeeft medische problemen te hebben en dat uit de aan de Raad voorgelegde stukken niet blijkt dat een van de andere verzoekers enig gezondheidsprobleem aan verweerder kenbaar heeft gemaakt. Er kan dan ook niet worden besloten dat de kinderen van eerste twee verzoekers enig persoonlijk belang hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Verweerder vermag op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet immers alleen een verblijfsmachtiging toe te staan aan een in België verblijvende vreemdeling die zijn identiteit aantoont en “die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft”. Aan vreemdelingen die geen gezondheidsproblemen hebben kan, op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, geen verblijfsmachtiging worden toegekend. Een vernietiging van de bestreden beslissing kan de kinderen van de eerste twee verzoekers derhalve geen voordeel opleveren.

 

Daarnaast moet worden gesteld dat, aangezien het niet is betwist dat verzoekers sedert jaren legaal in het Rijk woonachtig zijn, slechts kan worden vastgesteld dat België actueel hun land van verblijf is. Er zijn ook geen aanwijzingen dat dit legaal verblijf op korte termijn zal worden beëindigd. Artikel 9ter van de Vreemdelingenwet is een artikel dat erop is gericht vreemdelingen die België niet kunnen verlaten om medische redenen, hetzij omdat de reis een reëel risico inhoudt voor hun leven of fysieke integriteit, hetzij omdat zij in het land waarnaar zij moeten terugkeren geen adequate behandeling zouden kunnen genieten, waardoor zij in een situatie die als onmenselijk of vernederend moet worden beschouwd zullen terechtkomen, de mogelijkheid te geven een verblijfsmachtiging te verkrijgen. Eerste verzoekster moet evenwel België niet verlaten. Een vernietiging van de bestreden beslissing zou in de praktijk impliceren dat verweerder de situatie in het land waar eerste verzoekster gewoonlijk verblijft, in casu dus België, in aanmerking neemt en er blijkt niet dat dit haar actueel enig voordeel kan opleveren.

 

Er moet voorts hoe dan ook worden opgemerkt dat verzoekers zelf duiden dat zij heden, op grond van artikel 10, § 1, 1° van de Vreemdelingenwet iuncto het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer van rechtswege tot een verblijf in het Rijk zijn toegelaten. Aan een vreemdeling die reeds tot een verblijf in het Rijk is toegelaten, kan in regel geen verblijfsmachtiging meer worden toegestaan. Een vreemdeling kan niet terzelfdertijd op basis van meer dan één juridische grondslag in het Rijk verblijven. Anders zou het niet duidelijk zijn aan welk wettelijk regime de verblijfsstatus van deze vreemdeling is onderworpen. Er blijkt ook niet dat verweerder het actuele verblijfsrecht waarover verzoekers beschikken, en dat zijn oorsprong vindt in een in een verdrag opgenomen statuut, zou kunnen beëindigen en vervangen door een verblijfsmachtiging op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. Het feit dat een vreemdeling aan wie een verblijfsmachtiging om medische redenen van beperkte duur wordt toegekend, na vijf jaar eventueel tot een verblijf van onbeperkte duur kan worden gemachtigd – hetgeen onzeker is –, terwijl het verblijfsrecht waarover een diplomaat en zijn gezinsleden beschikken steeds is verbonden aan de duur van de diplomatieke zending en het gegeven dat het geprivilegieerde statuut van een diplomaat of van een familielid van een diplomaat fundamenteel verschillend is van dat van een vreemdeling die, met toepassing van een bepaling van de Vreemdelingenwet, tot een verblijf in het Rijk kan worden gemachtigd, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De vaststelling dat in artikel 9ter, § 7 van de Vreemdelingenwet is bepaald dat een vreemdeling die, nadat hij een verblijfsaanvraag om medische redenen indiende, tot een verblijf van onbeperkte duur werd toegelaten of gemachtigd – een situatie die zich in casu niet voordoet – de mogelijkheid heeft om toch nog de voortzetting van de behandeling van voormelde verblijfsaanvraag te vragen – wat vrij onzinnig lijkt – laat de Raad evenmin toe te oordelen dat verweerder verzoekers’ geprivilegieerde status kan vervangen door een verblijfsmachtiging op grond van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet. De verwijzing door verzoekers naar een arrest van de Raad van State dat werd gewezen in een zaak waar de feitelijke omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met deze in voorliggende zaak geeft geen aanleiding tot een andere conclusie.

 

Tevens moet worden herhaald dat er geen aanwijzingen zijn dat de diplomatieke zending van M.K.M. op korte termijn zal worden beëindigd en dat geen belang kan worden gepuurd uit een hypothetische situatie. Niets verhindert verzoekers trouwens om alsnog een verblijfsmachtiging aan te vragen indien zij niet langer in het raam van hun diplomatiek statuut in het Rijk kunnen verblijven.

 

Het beroep is, nu geen actueel en zeker belang wordt aangetoond, onontvankelijk.