Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
210.900
Gezinshereniging – familie van subsidiair beschermde – weigering visum – art. 10, § 2, 5e lid Vw. – uitzondering op voorwaarden bestaansmiddelen en huisvesting bij aanvraag binnen het jaar – overmacht – oorlogssituatie – moeilijkheden om diplomatieke post te bereiken – vraag advocaat om uitzondering op termijn te krijgen – motiveringsplicht – vernietiging

In het schrijven van 9 juni 201[7] wordt geduid op de moeilijkheden die de eerste verzoekende partij en haar gezin ervaren om de diplomatieke post te bereiken en de onmogelijkheid om tijdig de aanvraag in te dienen en wordt aan de verwerende partij gevraagd om, eenmaal het gezin van de verzoekende partij zich zal kunnen begeven naar een diplomatieke post, de aanvragen gezinshereniging te behandelen onder dezelfde voorwaarden als bij de aanvragen van gezinnen van personen die bescherming genieten, ingediend in het eerste jaar na de erkenning. Met andere woorden wordt in het voormeld schrijven gevraagd om alsnog toepassing te willen maken van de uitzondering, voorzien in artikel 10, §2, vijfde lid van de Vreemdelingenwet, nu de eerste verzoekende partij en haar minderjarige kinderen door omstandigheden buiten hun wil verhinderd werden de aanvraag in te dienen binnen het jaar na de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus.

 

Op 4 september 2017 schrijft de sociaal assistente opnieuw met betrekking tot de op dat moment reeds ingediende aanvragen om gezinshereniging van de verzoekende partij en haar kinderen een e-mail aan de verwerende partij en wijst zij erop dat zij reeds is tussengekomen per mail van 9 juni 2017 in dit dossier. Ook op 8 december 2017 richt zij in het kader van de voormelde aanvragen gezinshereniging een e-mail tot de verwerende partij waarin zij vraagt om de mail die zij op 9 juni 2017 opstelde met betrekking tot de complexe situatie van het gezin die zij kenden voor ze hun aanvragen konden indienen, te voegen bij de visumaanvragen.

 

Uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat het visum geweigerd wordt, omdat aan de te vervoegen persoon het statuut van subsidiair beschermde werd toegekend op 27 mei 2016 en de aanvraag gezinshereniging van de familieleden werd ingediend op 12 juni 2017 hetzij meer dan een jaar later en anderzijds daar de te vervoegen persoon niet aantoont over de nodige bestaansmiddelen te beschikken, daar hij leefloon ontvangt van het OCMW en met deze bestaansmiddelen overeenkomstig artikel 10, §5, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet geen rekening mag worden gehouden.

 

Daarmee heeft de verwerende partij het schrijven van de sociaal assistent van 9 juni 2017, waarin de motieven en de omstandigheden van de visumaanvraag en de mogelijkheid tot het indienden ervan, nader werden geduid, naast zich neergelegd. De bestreden beslissing antwoordt niet op de in het schrijven van 9 juni 2017 ingeroepen motieven waarbij werd verzocht, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, om alsnog toepassing te maken van de uitzondering, voorzien in artikel 10, §2, vijfde lid van de Vreemdelingenwet. Uit de bestreden beslissing kan enkel afgeleid worden dat het gezin van de eerste verzoekende partij niet kan genieten van de uitzondering voorzien in artikel 10, §2, vijfde lid van de Vreemdelingenwet daar de termijn van één jaar overschreden is, doch geenszins waarom de door haar ingeroepen motieven en omstandigheden er niet toe leiden dat zij alsnog kan genieten van de genoemde uitzondering. In die mate maken de verzoekende partijen een schending van de formele motiveringsplicht aannemelijk.

 

In zoverre dit uit de stukken van het administratief dossier zou moeten blijken, kan de Raad enkel vaststellen dat de verwerende partij inderdaad een antwoord voorzag op het schrijven van 9 juni 2017 waarbij zij aangaf dat zij een uitzondering op de regel die aanvragers vrijstelt van bepaalde voorwaarden voor gezinshereniging indien de aanvraag is ingediend in het jaar, zoals voorzien door de wet en verlengd tot 13 maanden, volgend op het verkrijgen van het statuut van subsidiaire beschermde van de te vervoegen persoon, niet kan toestaan. Uit een dergelijk antwoord kan geenszins afgeleid worden waarom bij de toepassing van artikel 10, §2, vijfde lid van de Vreemdelingenwet overmacht niet kan worden ingeroepen om de strengheid van de wet te verzachten, laat staan waarom de ingeroepen overmacht niet kan aanvaard worden om alsnog toepassing te maken van de uitzondering voorzien in artikel 10, §2, vijfde lid van de Vreemdelingenwet. Dit klemt des te meer nu uit het antwoord zelf blijkt dat in feite een uitzondering op de regel waarin een termijn van één jaar bepaald wordt wel degelijk mogelijk is, daar de wettelijke termijn reeds werd verlengd tot dertien maanden.

 

(….)

 

De stelling tenslotte dat de eerste verzoekende partij en haar minderjarige kinderen zich niet beriepen op het bestaan van overmacht bij het indienen van hun visumaanvraag of voor het nemen van de bestreden beslissingen, dat de e-mail van 9 juni 2017 van de sociaal assistent immers geen inroeping van overmacht doch wel een vraag tot informatie betrof waar de verwerende partij op geantwoord heeft, is niet ernstig. Hoewel de sociaal assistente niet expliciet het woord overmacht heeft gebruikt, blijkt duidelijk dat zij zich beroepen heeft op de onmogelijkheid om zich te begeven tot de diplomatieke post om de aanvraag in te dienen omwille van acties van derden in een oorlogssituatie en dit binnen de termijn die voorzien wordt voor het indienen van een aanvraag gezinshereniging indien men wil genieten van een uitzondering op bepaalde voorwaarden. Er wordt ook op gewezen dat de eerste verzoekende partij en haar gezin geen laksheid of traagheid kan worden tegengeworpen maar dat zij wel degelijk verhinderd zijn om de termijn te respecteren en er wordt gevraagd om, gelet op deze situatie, de aanvraag van de eerste verzoekende partij en haar minderjarige kinderen, eenmaal zij de diplomatieke post bereiken, te behandelen volgens dezelfde criteria die gelden voor de familieleden van personen met een subsidiaire beschermingsstatus ingediend in het eerste jaar na erkenning. De eerste verzoekende partij vraagt aldus om omwille van omstandigheden buiten haar wil (verhinderd worden te vertrekken door derden in een oorlogssituatie) en die door haar niet konden vermeden worden (niet te wijten aan laksheid of traagheid) een bepaalde wetsbepaling alsnog toe te passen hoewel aan de wettelijke termijn hiervoor in casu niet werd voldaan. In casu dient dan ook vastgesteld te worden dat de verzoekende partij zich wel degelijk beriep op overmacht en zich niet beperkte tot een “vraag tot informatie”.