Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
230.095
Gezinshereniging – ander familielid van een Unieburger – art. 47/1 Vw. – verzoeker in België gevestigd voor referentiepersoon – art. 3, lid 2 Richtlijn 2004/38 niet van toepassing – geen schending vrij verkeer Unieburger – verwerping

Samenvattend merkt de Raad op dat het familielid dat verklaart in te wonen bij de burger van de Unie, vanuit één en dezelfde staat samen met deze burger van de Unie naar het gastland moet zijn gereisd (dit is ‘begeleiden’), terwijl het familielid dat verklaart afhankelijk te zijn van de burger van de Unie niet noodzakelijkerwijze vanuit dezelfde staat samen met die burger van de Unie naar het gastland moet zijn gereisd maar dat hij de burger van de Unie desgevallend ook vanuit zijn land van herkomst achterna kan reizen naar het gastland waar de burger van de Unie het primair verblijfsrecht geniet (dit is ‘vervoegen’). In dit laatste geval moet de situatie van afhankelijkheid bestaan in het land van herkomst van het familielid op het ogenblik dat hij verzoekt om zich te voegen bij de burger van de Unie te wiens laste hij is, zonder dat het familielid in dezelfde staat als de burger van de Unie heeft verbleven of ten laste van laatstgenoemde is geweest kort voordat of op het ogenblik dat deze zich in het gastland vestigde (HvJ 5 september 2012, C-83/11, Rahman, nr. 33).

 

Het is dan ook duidelijk dat artikel 3, lid 2, van de Burgerschapsrichtlijn niet van toepassing is op de thans voorliggende situatie van een derdelands familielid dat zich reeds (langere tijd) in België bevindt op het ogenblik dat de burger van de Unie, gebruik makend van zijn recht op vrij verkeer, zich naar diezelfde lidstaat begeeft om er het primaire verblijfsrecht te genieten. In dit geval is het niet het familielid dat zich voegt bij de burger van de Unie of die de burger van de Unie begeleidt, maar heeft de burger van de Unie in tegendeel gebruik gemaakt van zijn recht op vrij verkeer naar de lidstaat waarin het familielid reeds verbleef. De doelstelling van het vergemakkelijken van het vrij verkeer van de burger van de Unie en het handhaven van de eenheid van gezin werd in deze situatie niet in het gedrang gebracht, gezien de burger van de Unie in alle vrijheid gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer naar de lidstaat waar het betrokken familielid zich voorheen reeds langere tijd bevond. Het voorkomen dat een burger van de Unie mogelijk afziet van het uitoefenen van zijn recht op vrij verkeer omdat hij zich niet zou kunnen laten vergezellen of vervoegen door welbepaalde familieleden die deel uitmaken van zijn gezin of te zijnen laste zijn, is hier helemaal niet aan de orde.

 

De in artikel 47/3, §2, van de vreemdelingenwet voorziene voorwaarde dat de aanvraag van het ‘ander’ familielid, zoals bedoeld in artikel 47/1, 2° van diezelfde wet, erop gericht moet zijn om de burger van de Unie te begeleiden of zich bij hem te voegen, is derhalve verenigbaar met de gebruikelijke betekenis van het woord “vergemakkelijkt” en van de bewoordingen die betrekking hebben op “afhankelijkheid” als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Burgerschapsrichtlijn en zij berooft deze bepaling ook niet van haar nuttig effect.

 

De niet-betwiste vaststelling dat de verzoeker reeds sedert 2008 in België verblijft en dat de referentiepersoon, verzoekers Portugese oom, pas sedert 31 januari 2018 in België woont en de evenmin betwiste beoordeling dat van een dreigende schending van het recht op vrij verkeer van de referentiepersoon geen sprake is, volstaat dan ook om te besluiten dat niet afdoende blijkt dat de verzoeker reeds “in het land van herkomst” en “in de periode voorafgaand aan de huidige gezinsherenigingsaanvraag” ten laste was van of deel uitmaakte van het gezin van de burger van de Unie zodat de verzoeker niet aantoont te voldoen aan de voorwaarden van artikel 47/1, 2°, van de vreemdelingenwet.

 

Verzoekers inhoudelijke kritiek op de motieven inzake de door hem voorgelegde documenten, kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. De bestreden beslissing wordt immers reeds voldoende geschraagd door de determinerende vaststellingen dat er geen sprake is van een dreigende schending van het recht op vrij verkeer van de referentiepersoon en dat de vestiging van de verzoeker in België (reeds 10 jaar) voorafgaat aan de vestiging van de referentiepersoon in België. Verzoekers kritiek is dan ook gericht tegen een geheel overtollige motivering, zodat deze kritiek onontvankelijk is (RvS 30 oktober 2014, nr. 228.963; RvS 19 februari 2009, nr. 190.636)