Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
221.080
Gezinshereniging – art. 47/1, 2° Vw. – ander familielid van een Unieburger – schoonbroer van een Nederlandse onderdaan – HvJ 8 mei 2018, nr. C-82/16, K.A. e.a. - niet verduidelijkt op basis van welke bepaling de bijlage 19ter kan worden ingetrokken – niet voorzien in art. 47/1 Vw. of art. 52 Vb. – vernietiging

Artikel 47/1 kan worden uitgelegd in het licht van artikel 20 van het VWEU en de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie, die een eenvormige uitlegging geeft aan artikel 20 van het VWEU. De lidstaten, inclusief nationale rechters, zijn er immers toe gehouden om hun nationale recht conform het Unierecht uit te leggen (zie HvJ 6 november 2003, C- 101/01, Lindqvist, punt 87; HvJ 26 juni 2007, C-305/05, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., punt 28). De nationale rechter dient tevens, als gevolg van de in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU) neergelegde samenwerkingsplicht en het loyaliteitsbeginsel, rekening te houden met de uniforme interpretatie die het Hof van Justitie reeds aan bepalingen van het Unierecht heeft gegeven. De rechtspraak van het Hof van Justitie vormt overigens, naast het primair en secundair Unierecht, eveneens een bron van Unierecht. De uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 267 van het VWEU verleende bevoegdheid geeft aan een regel van Unierecht, verklaart en preciseert, voor zover dat nodig is, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan en toegepast (HvJ 13 januari 2004, C-453/00, Kühne en Heitz, par. 21).

 

In zijn arrest van 8 mei 2018 (C-82/16) heeft het Hof van Justitie, weliswaar met betrekking tot een statische Unieburger, uitgelegd dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen een praktijk van een lidstaat die inhoudt dat een verblijfsaanvraag met het oog op gezinshereniging, ingediend op zijn grondgebied door een derdelander die familielid is van een Unieburger die de nationaliteit van de lidstaat bezit en zijn recht van vrij verkeer nooit heeft uitgeoefend, niet in aanmerking neemt op de enkele grond dat deze derdelander de toegang tot dat grondgebied is verboden, zonder dat is onderzocht of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen deze Unieburger en de genoemde derdelander dat de weigering om aan deze derdelander een afgeleid verblijfsrecht toe te kennen tot gevolg zou hebben dat de betrokken Unieburger feitelijk gedwongen is het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten, zodat hem het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd.

 

Blijkens het administratief dossier heeft de verzoekende partij op 29 januari 2019 haar aanvraag gezinshereniging ingediend in functie van haar Nederlandse schoonzus, gehuwd met de broer van de verzoekende partij. In het verleden werden dezelfde aanvragen al herhaaldelijk afgewezen. De bestreden beslissing wijst de aanvraag af, omwille van het bestaan van een inreisverbod.

De verzoekende partij verwijt de bestreden beslissing dat de wettelijke bepalingen, voorzien in artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit en in artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet, niet zijn nageleefd en de bestreden beslissing aldus onwettig is genomen omdat de procedure, voorzien in artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit, niet is gevolgd. Zij verwijt de verwerende partij geen “bijlage 20” te nemen terwijl een bijlage 19ter was afgeleverd. Zij stelt dat een bijlage 19ter intrekken, niet kan, niet is voorzien in de wet en het als “onbestaand” beschouwen, onwettig is. De verwerende partij had de aanvraag moeten afwijzen onder de vorm van een bijlage 20, wat niet is gebeurd.

 

De verwerende partij legt geen nota met opmerkingen neer. Uit de feitelijke motieven van de bestreden beslissing blijkt geenszins waarom de aanvraag is afgewezen op grond van artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet. Concreet gaat de bestreden beslissing enkel in op het bestaand inreisverbod en geeft zij een onderzoek weer, verricht naar de afhankelijkheidsrelatie tussen de verzoekende partij en haar schoonzus en broer.

 

Het Hof geeft hiermee aan dat door het bestaan van een inreisverbod een aanvraag gezinshereniging kan geweigerd worden mits het nodige afhankelijkheidsonderzoek. Het Hof stelt evenwel dat het de lidstaten toekomt concreet gestalte te geven op welke wijze deze voorwaarden worden bepaald.

 

In dit geval stelt de Raad vast dat de bestreden beslissing weliswaar ingaat op wat in het voormeld arrest wordt gesteld, maar nalaat aan te tonen op basis van welke bepaling in dit geval een bijlage 19ter kan worden ingetrokken. Er is geen enkele verduidelijking over een Belgische wettelijke bepaling die gestalte geeft aan de inhoud van het arrest, terwijl evenmin in artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet of in artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit is voorzien dat een bijlage 19ter kan worden ingetrokken of als onbestaande kan worden beschouwd. In die zin kan de redenering van de verzoekende partij gevolgd worden waar zij stelt dat de procedure, voorzien in artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit en in artikel 47/1 e.v. van de Vreemdelingenwet, niet werd nageleefd.

 

Deze vaststelling volstaat in dit geval om de bestreden beslissing te vernietigen.