Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
230.556
BGV – medische problematiek – gezondheidstoestand – aanvraag 9ter negatief – niet enkel bij aanvraag 9ter rekening houden met de gezondheidstoestand – art. 74/13 Vw. - vernietiging

De Raad wijst erop dat de verwerende partij niet kan voorhouden dat de gemachtigde slechts zou moeten rekening houden met de gezondheidstoestand van de verzoekende partij in het licht van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet en artikel 3 van het EVRM, in het geval zij een aanvraag op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet heeft ingediend. Dit blijkt noch uit de bewoordingen van het voormelde artikel 74/13 noch uit de aanhef van artikel 7, eerste lid van de vreemdelingenwet, op grond waarvan het bestreden bevel om het grondgebied werd genomen. Het voormelde artikel 7, eerste lid van de vreemdelingenwet stelt immers dat een bevel om het grondgebied te verlaten wordt gegeven “onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag”. De gemachtigde moet bij het nemen van een bevel om het grondgebied te verlaten derhalve steeds onderzoeken of die verwijderingsmaatregel in overeenstemming is met de normen van de internationale verdragen waardoor België gebonden is, in casu met artikel 3 van het EVRM (cf. RvS 29 mei 2018, nr. 241.623).

 

Daarnaast maakt de verwerende partij in haar nota met opmerkingen niet duidelijk op grond waarvan het zou volstaan te verwijzen naar de eerdere afwijzing van een aanvraag op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Zowel de gemachtigde in de bestreden beslissing als de verwerende partij in haar nota met opmerkingen verwijzen in dit verband overigens naar het arrest van de Raad waarmee deze aanvraag “na grondig onderzoek” zou zijn afgesloten. De Raad benadrukt dat hij met betrekking tot de beslissing van 14 maart 2014, waarin de betrokken aanvraag van 3 december 2009 (ontvankelijk doch) ongegrond werd verklaard, enkel is opgetreden als annulatierechter. Hij heeft in zijn arrest nr. 186 152 van 27 april 2017 aldus slechts een wettigheidstoetsing doorgevoerd en geen eigen “grondig onderzoek” (in tegenstelling tot het door de gemachtigde eveneens aangehaalde beroep met betrekking tot de asielaanvraag van de verzoekende partij). Het laatste onderzoek van de medische problematiek van de verzoekende partij dateert aldus van 14 maart 2014. Hoger heeft de Raad reeds vastgesteld dat zich in het administratief dossier verschillende gegevens bevinden met betrekking tot de medische problematiek van de verzoekende partij, die dateren van na deze datum (en overigens tevens van na 27 april 2017).

 

De Raad verwijst in dit verband onder meer nogmaals naar de verklaringen van de verzoekende partij tijdens haar gehoor op 23 september 2019 om 01.00 uur, minder dan een halve dag voor het nemen van de bestreden beslissing, naar de stukken met betrekking tot de oogoperatie van de verzoekende partij op of rond 27 mei 2019 en naar de inhoud van de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. Uit de bestreden beslissing (of uit het administratief dossier) blijkt niet op welke manier de gemachtigde door middel van de opgenomen motivering rekening zou hebben gehouden met de huidige gezondheidstoestand van de verzoekende partij en dat thans geen sprake zou zijn van een medische problematiek. In deze zin kan de verzoekende partij dan ook worden gevolgd waar zij stelt dat het feit dat het niet is omdat een aanvraag in het kader van artikel 9ter van de vreemdelingenwet werd afgewezen, dat dit zou betekenen dat er geen medische problematiek is. Ook blijkt niet dat de gemachtigde, door te verwijzen naar een op 14 maart 2014 in het kader van een aanvraag op grond van het voormelde artikel 9ter gevoerde onderzoek, op afdoende wijze zou zijn tegemoetgekomen aan zijn onderzoeksplicht in het licht van artikel 3 van het EVRM. De verwerende partij beperkt zich in haar nota met opmerkingen net als de gemachtigde tot een verwijzing naar dit eerder gevoerde onderzoek, maar zet niet uiteen op welke manier dit tegemoetkomt aan de verplichting rekening te houden met de huidige gezondheidstoestand van de verzoekende partij, zoals deze blijkt uit het administratief dossier.

 

De Raad benadrukt ten slotte dat het niet aan hem als annulatierechter is om de huidige medische problematiek van de verzoekende partij (en de mate waarin deze zich verhoudt tot de gezondheidstoestand in maart 2014) in de plaats van de gemachtigde te beoordelen, zowel in het licht van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet als in het licht van artikel 3 van het EVRM.