Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
230.654
Einde verblijf – gevaar voor nationale veiligheid – valse identiteit – DVZ al jaren op de hoogte – geen belemmering voor verkrijgen en verlengen verblijf – verdenking van contacten met radicale individuen – geen concrete en zwaarwichtige bewijzen – loutere verdenkingen en vermoedens – art. 21 en 23 Vw. – vernietiging

Verzoeker stelt, in het vijfde onderdeel van zijn eerste middel, in wezen dat de door verweerder aangebrachte elementen niet toelaten te concluderen dat uit zijn gedrag blijkt dat hij een bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en dat uit de door verweerder aangevoerde elementen geen gevaar voor openbare orde of nationale veiligheid kan worden afgeleid.

 

De Raad stelt vast dat verweerder, om zijn standpunt te staven dat verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, in de eerste plaats verwijst naar het feit dat verzoeker in België verblijft onder een valse identiteit. Uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt evenwel dat de Franse autoriteiten verweerder reeds op 20 februari 2008 op de hoogte stelden van het feit dat verzoeker, die in België de naam S.S. gebruikt, in Frankrijk als V.T. gekend is. De Franse autoriteiten maakten verweerder tevens een kopie over van verzoekers rijbewijs, van zijn identiteitskaart en van zijn geboorteakte. Al deze documenten vermelden de naam V.T. Het feit dat verweerder kennis had van het gegeven dat verzoeker in België een andere identiteit gebruikte heeft hem er evenwel niet toe gebracht om verzoekers aanvraag om tot een verblijf te worden gemachtigd af te wijzen. In een nota die, op 12 augustus 2009, werd opgesteld naar aanleiding van de behandeling van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf wordt geduid dat verzoeker in Frankrijk onder de naam V.T. een verzoek om internationale bescherming indiende en wordt gesteld dat het desondanks aangewezen is om verzoeker, gezien zijn langdurig ononderbroken verblijf in België, te machtigen tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk. De vaststelling dat verzoeker verschillende identiteiten gebruikte – en dit wellicht om te pogen te verhullen dat hij in Frankrijk reeds een verzoek om internationale bescherming indiende – werd dan ook geenszins over het hoofd gezien en werd toen niet beschouwd als een element waar een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid kon worden uit afgeleid. Op 4 januari 2010 besliste verweerder verzoeker zonder meer tot een verblijf van onbeperkte duur te machtigen en werd aangegeven dat een verblijfstitel kon worden afgegeven aan verzoeker met vermelding van de identiteit die bleek uit zijn verklaringen. Een nota van 9 september 2014 toont aan dat de Poolse autoriteiten verweerder meedeelden dat V.T. de echte identiteit van verzoeker is. Verweerder heeft in een nota van 6 oktober 2014 verder aangegeven dat het feit dat V.T. de echte identiteit is van verzoeker ook werd bevestigd door de Russische autoriteiten. Verzoeker die ondertussen van ambtswege was afgevoerd van het vreemdelingenregister en die probeerde op basis van een vervalst Litouws paspoort een verklaring van inschrijving als burger van de Unie te krijgen werd vervolgens op instructie van verweerder van 6 november 2014 opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfstitel op naam van S.S. Uit het neergelegde administratief dossier, waarin ook het paspoortnummer van verzoeker is opgenomen, kan dus worden afgeleid dat verweerder reeds vele jaren de werkelijke identiteit van verzoeker, zoals deze blijkt uit tal van stukken, kent en dat verweerder nooit een groot belang hechtte aan het feit dat verzoeker tijdens zijn verblijf in België gebruik maakt van een valse naam of dit feit in ieder geval niet als een belemmering zag om verzoeker tot een verblijf in België te machtigen of om tot zijn herinschrijving over te gaan. Verweerder kan dan ook niet in redelijkheid voorhouden dat uit de vaststelling op zich dat verzoeker gebruik maakt van een valse identiteit heden plots wel kan worden afgeleid dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het gebruik van een valse identiteit is uiteraard een strafbaar feit maar het volstaat in casu niet om ook automatisch te kunnen concluderen dat verzoeker een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.

 

In zoverre het de bedoeling zou zijn van verweerder – wiens motivering ambigu is – om te stellen dat verzoekers verblijf ook kan worden beëindigd omdat hij een verblijfstitel verkreeg ingevolge fraude dient te worden opgemerkt dat verweerder niet verwijst naar de bepalingen van artikel 74/20 van de Vreemdelingenwet – een bepaling die hem toelaat, onder bepaalde voorwaarden, het verblijf omwille van fraude te beëindigen – , doch naar artikel 21 van dezelfde wet. Daarnaast moet worden benadrukt dat niet wordt aangetoond dat het bedrog dat verzoeker pleegde heeft bijgedragen tot het verkrijgen van het verblijf, zodat zelfs niet blijkt dat artikel 74/20 van de Vreemdelingenwet in voorliggende zaak toepasbaar is.

 

Verweerder motiveert ook dat verzoeker zich op 19 augustus 2013 heeft aangemeld bij de gemeente Mol en heeft gepoogd om een verklaring van inschrijving te verkrijgen door gebruik te maken van een vervalst Litouws paspoort. Hieruit kan evenwel niet worden afgeleid dat verzoeker een handeling stelde waaruit blijkt dat de nationale veiligheid in het gedrang komt en dat hij heden “een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving” vormt. Verweerder heeft trouwens, zoals reeds gesteld, voorheen geen groot belang aan deze fraudepoging gehecht. In een nota die op 9 september 2014 werd opgesteld wordt aangegeven dat verzoeker mogelijk gebruik maakte van een Litouws identiteitsdocument “om onder de radar te blijven bij een reis naar Rusland/Tsjetsjenië”. Er blijkt niet dat verweerder het vereist achtte de politie- of gerechtelijke diensten van deze fraudepoging op de hoogte te stellen en er moet worden herhaald dat verweerder verzoeker zonder meer opnieuw liet inschrijven in het vreemdelingenregister.

 

In de beslissing tot beëindiging van het verblijf wordt nog melding gemaakt van het gegeven dat verzoeker tijdens de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming gebruik maakte van een valse oproepingsbrief. Verweerder laat evenwel na toe te lichten hoe uit dit gegeven zou kunnen worden afgeleid dat verzoeker actueel een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

 

Een politieverslag, dat dateert van 13 augustus 2016, dat werd opgesteld “wegens verdachte handelingen” – verzoeker was volgens het verslag autobanden aan het uitladen voor een garagebox waarvan hij niet de eigenaar was maar waarvan hij wel de sleutel had – en waaruit blijkt dat verzoeker “goed gekend is” en “mogelijks linken heeft met een terroristische beweging” is, gelet op de vaagheid van deze vermeldingen, ook niet van die aard dat kan worden besloten dat is aangetoond dat verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder erkende wat betreft de “link met [een] terroristische groepering” zelf in een op 13 augustus 2016 opgestelde nota dat er “geen duidelijke info” was, dat er in dit verband geen processen-verbaal werden opgesteld en dat er enkel verslagen van de politie zijn “inzake verdachte gedragingen en contact met personen die aldus geseind staan bij justitie.”

 

Verweerder stelt dat hij navraag deed omtrent de redenen waarom de Franse autoriteiten verzoeker seinden en geeft aan dat deze autoriteiten stelden dat er elementen zijn die aantonen dat verzoeker betrokken is bij activiteiten die “mogelijks” de openbare orde ernstig verstoren. Hiermee wordt niet in concreto aangetoond dat verzoeker gedragingen stelde die ertoe kunnen leiden te besluiten dat hij in België een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. In het antwoord van de Franse autoriteiten aangaande de redenen waarom zij overgingen tot de seining van verzoeker, dat in het administratief dossier is opgenomen, kan ook niet worden gelezen welke precieze feiten verzoeker, die geen gerechtelijk verleden heeft, ten laste kunnen worden gelegd. Er wordt sibillijns gesteld dat er elementen zijn die aantonen dat hij betrokken is bij handelingen die de openbare orde ernstig in het gedrang kunnen brengen, doch nadere concretisering is er niet. Er wordt ook aangegeven dat hij een Russisch staatsburger is die banden heeft met een radicale Islamitische beweging, zonder evenwel te verduidelijken over welke beweging het gaat, waaruit deze banden bestaan en hoe hieruit enig gevaar kan worden afgeleid.

 

In het verslag van de Veiligheid van de Staat (hierna: de VSSE) waarnaar verweerder verwijst wordt geduid dat verzoeker sedert 2010 bij deze dienst gekend is omdat hij contacten heeft met radicale individuen binnen de Kaukasische gemeenschap in België en dat hij wordt beschouwd als een centraal figuur binnen een groep radicale Tsjetsjenen in Leuven. Er wordt ook aangegeven dat verzoeker het voorwerp uitmaakte van een gerechtelijk onderzoek wegens een mogelijke terroristische activiteit in België en dat hij door de Leuvense politie gelinkt wordt aan het Emiraat van de Kaukasus. Het feit dat verzoeker gekend is bij de VSSE, de vaststelling dat hij contacten heeft met personen die radicale opvattingen hebben en de omschrijving van verzoeker als “een centraal figuur binnen een groep radicale Tsjetsjenen in Leuven” laten de Raad niet toe vast te stellen dat verzoeker enige gedraging zou hebben gesteld waaruit kan worden afgeleid dat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Verder moet worden opgemerkt dat verzoeker stelt dat het opgestarte gerechtelijk onderzoek inzake de eventuele betrokkenheid bij een terroristische activiteit of het lidmaatschap van een terroristische organisatie waarvan hij werd verdacht zonder gevolg werd afgesloten en dat verweerder – die bovendien motiveerde dat verzoeker het voorwerp “was” van een gerechtelijk onderzoek – dit niet betwist. Verweerder werpt terecht op dat zelfs indien een persoon in een strafprocedure wordt vrijgesproken dit niet impliceert dat ter bescherming van de openbare orde geen bestuurlijke maatregel kan worden genomen. Verweerder kan evenwel niet voorbijgaan aan de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 23 van de Vreemdelingenwet indien hij wenst over te gaan tot de beëindiging van het verblijf van verzoeker om redenen van nationale veiligheid. Hij dient bijgevolg concrete en voldoende zwaarwichtige gegevens aan te brengen waaruit een effectieve bedreiging van de nationale veiligheid kan worden gededuceerd en aannemelijk te maken dat verzoeker een gedrag stelde waaruit een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving kan worden afgeleid. Hij doet dit niet door te verwijzen naar verdenkingen die blijken uit verslagen – uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt namelijk niet dat er concrete bewijzen zijn – inzake de betrokkenheid van verzoeker bij een eventuele terroristische activiteit of het lidmaatschap van een terroristische organisatie. Loutere verdenkingen of vermoedens zijn onvoldoende om te kunnen oordelen dat verzoeker een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Aangezien niet wordt betwist dat het gerechtelijk onderzoek waarnaar wordt verwezen zonder gevolg werd afgesloten kan daarenboven niet worden aangenomen dat de verdenkingen terecht waren en/of enige grond hadden.

 

Verzoeker kan worden gevolgd in zijn betoog dat geenszins wordt aangetoond dat de in de artikelen 21 en 23 van de Vreemdelingenwet gestelde vereisten om over te gaan tot de beëindiging van zijn verblijf zijn vervuld en dat verweerder de bepalingen van deze artikelen heeft geschonden door desondanks de beslissing tot beëindiging van het verblijf te nemen.