Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
29.110
Guinees asielzoeker – dochter geboren in België – vrees voor besnijdenis van het kind in geval van terugkeer – kind ingeschreven in bijlage 26 van moeder – weigering door CGVS – beroep bij RvV – nieuwe elementen – vaderschap van verzoeker staat vast – CEDOCA document – documenten UNHCR – vrees in hoofde van verzoeker – vrees om vervolgd te worden omwille van politieke ideeën – verbintenis van verzoeker om zijn dochter niet te laten besnijden – erkenning vluchtelingenstatus

De Raad kan zich niet vinden in de redenering van de bestreden beslissing volgens dewelke het risico op besnijdenis van de dochter van verzoeker geen weerslag op hem zou hebben, enkel omwille van de inschrijving van de dochter op de bijlage 26 van de moeder. Het vaderschap van verzoeker kan niet anders dan een weerslag hebben op het bestaan van een vrees voor vervolging in zijn hoofde. Het vaderschap van verzoeker is voldoende in rechte bewezen door het voorleggen van een uittreksel uit de geboorteakte van het kind. Verzoeker kan rechtmatig laten gelden dat hij een gegronde vrees heeft in de zin van de Conventie van Genève, omwille van zijn politieke ideeën die hij uitte door zijn tegenstelling aan de gewoonte van besnijdenis voor zijn minderjarige dochter. Deze gewoonte wordt beschouwd als een sociale quasigedwongen praktijk om als vrouw erkend te worden in Guinée. Het is praktisch onmogelijk om zich te onttrekken aan deze praktijk. Door zich hiertegen te verzetten, plaatst verzoeker zich aan de rand van de samenleving. De gevreesde vervolging verbindt zich aan één van de motieven van de Conventie van Genève. Momenteel kunnen de Guinese autoriteiten geen effectieve bescherming garanderen in de zin van art. 48/5, § 2, alinea 2 VW aan personen die zich verzetten tegen de besnijdenis van hun kinderen