Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
30.302
Iraans asielzoeker – bekering tot christendom – erkend vluchteling door Vaste Beroepscommissie - intrekking vluchtelingenstatus door CGVS – documenten overgemaakt door Federale Politie – islamitisch huwelijk met Iraanse onderdaan – legalisatie huwelijk bij Iraans consulaat – geen schending artikel 8 EVRM en artikel 17 BUPO – geen schending van de artikelen 22 en 29 Grondwet – geen geloof aan oprechtheid van bekering tot christendom – geen medewerking – geen vrees ten aanzien van Iraanse autoriteiten – geen gegronde vrees voor vervolging – vluchtelingenstatus geweigerd – subsidiaire beschermingsstatus geweigerd

Op basis van artikel 57/7, tweede lid VW is het Commissariaat-generaal gerechtigd om alle bescheiden en inlichtingen die voor de uitoefening van zijn opdracht nuttig zijn, door elke Belgische overheid te doen overleggen. Ongeacht de wijze waarop de documenten in handen zijn gekomen van de luchthavenpolitie, en zonder ter zake tot een beoordeling over te gaan, kan derhalve niet worden volgehouden dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing artikel 8 van het EVRM, artikel 17 van het BUPO en de artikelen 22 en 29 van de Grondwet heeft geschonden. In ieder geval toont verzoeker niet aan dat de Commissaris-Generaal bij het nemen van zijn beslissing de door verzoeker genoemde artikelen, die betrekking hebben op het briefgeheim en het recht op privacy, zou hebben geschonden. Uit de documenten onderschept door de luchthavenpolitie van Bierset, blijkt dat verzoeker een religieus huwelijk volgens de moslimtraditie aanging met een Iraanse moslima in een moskee in Turkije. Op grond van dit huwelijk en de vaststelling dat verzoeker blijkens zijn verklaringen reeds enkele jaren niets concreet doet met zijn nieuw verworven geloof en bovendien van zijn religieuze engagement sinds het verkrijgen van zijn vluchtelingenstatus niets meer overeind blijft, kan geen geloof meer worden gehecht aan verzoekers oprechtheid van zijn bekering tot het christendom of althans van het feit dat hij nog altijd christen is. Van doorslaggevend belang bij de beoordeling van zijn beweerde vrees voor vervolging vanwege de Iraanse autoriteiten is echter de vaststelling dat verzoeker de documenten met betrekking tot zijn religieus huwelijk liet legaliseren door de vertegenwoordiging van de Iraanse autoriteiten in Turkije, met name het Iraanse consulaat in Istanbul. Verzoekers contact met het Iraanse consulaat en het feit dat hem zonder enige probleem de nodige documenten werden overhandigd, vallen niet te rijmen met een gegronde vrees voor vervolging en ondermijnt dan ook fundamenteel zijn vrees ten aanzien van de Iraanse autoriteiten, op welke grond deze voorgehouden vrees ook zou gesteund zijn