Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
232.984
Gezinshereniging – ouder van een meerderjarige Belg – aanvraag niet mogelijk – art. 40ter Vw. – uitoefening vrij verkeer – Belg werkt in Nederland – geen bewijs van vestiging in Nederland - HvJ 12 maart 2014, nr. C-457/12, S en G t. Nederland – art. 45 en 56 VWEU – afgeleid verblijfsrecht mogelijk onder bepaalde specifieke voorwaarden – onzorgvuldig onderzoek – vernietiging

Uit voorgaande bepalingen blijkt dat in beginsel gezinshereniging tussen een ascendent en zijn of haar meerderjarig (statisch) Belgisch kind niet mogelijk is, tenzij de Belgische referentiepersoon zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

 

De Raad stelt vast dat de gemachtigde dienaangaande enkel stelt: “Betrokkene heeft geen bewijzen aangebracht dat de referentiepersoon gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer.”

 

Verzoekster meent dat aangezien haar Belgische dochter een economische activiteit heeft uitgeoefend in Nederland, nog steeds uitoefent in Nederland en dienaangaande ook stukken heeft bijgebracht, zij hiermee heeft aangetoond een familielid te zijn van een Belg die in een andere lidstaat van de Europese Unie op basis van het vrij personenverkeer een economische activiteit heeft aangevat en derhalve de procedure gezinshereniging in functie van haar Belgische meerderjarige dochter kon aanvatten en dat dit verder moest onderzocht worden.

 

Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster bij de aanvraag inderdaad stukken heeft voorgelegd die wijzen op een economische activiteit van verzoeksters Belgische dochter in Nederland. Zo wordt er onder meer op de bijlage 19ter van 26 maart 2019 vermeld: “uittreksel HR Kamer van Koophandel en registratienr (aansluiting niet voldoende: economische activiteiten bewijzen)”. In de bijlage 19ter kreeg verzoekster nog drie maanden extra om bijkomende stukken voor te leggen. Er zit verder in het administratief dossier een stuk van het “Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties” van 31 maart 2016 waaruit blijkt dat verzoekster woonachtig is in België, maar is ingeschreven als niet-ingezetene in de basisregistratie personen in Nederland. Uit het vermelde uittreksel uit het handelsregister van de Nederlandse Kamer van Koophandel van 26 april 2016 blijkt dat verzoekster in Nederland activiteiten heeft die vallen onder de categorieën: callcenters, detailhandel, schoonheidsverzorging, het verkopen van producten en diensten “zakelijke en particuliere”, herbalife distributeur: advies en coaching van leads en verkoop van herbalife producten; workshops en verkoop van producten.

 

Artikel 40ter van de Vreemdelingenwet verwijst uitdrukkelijk naar de Belg die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend “overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie”.

 

Kernvraag is dus of de gemachtigde voldoende heeft onderzocht of verzoekster haar Belgische dochter haar recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie om op redelijke wijze tot de vaststelling te komen dat geen bewijzen hiervan zijn aangebracht.

 

Verweerder wijst er in de nota -weliswaar a posteriori- terecht op dat blijkt dat de referentiepersoon een economische activiteit uitoefent in Nederland, zonder dat enig bewijs van vestiging in Nederland wordt voorgelegd. Verweerder stelt -ook a posteriori- terecht in de nota, met verwijzing naar § 39 van het arrest O. en B. t. de Minister voor Immigratie, Integratie van het Hof van Justitie dat de richtlijn 2004/38/EG (…) uitsluitend voorziet in een afgeleid verblijfsrecht voor derdelanders die familielid zijn van een unieburger in de zin van artikel 2, tweede lid van deze richtlijn wanneer de laatstgenoemde zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft. Aan deze richtlijn kan dus voor derdelanders die familieleden zijn van een burger van de Unie geen afgeleid verblijfsrecht worden ontleend in de lidstaat waarvan de burger de nationaliteit bezit. Het gehele betoog van verweerder in de nota stoelt evenwel op de burgerschapsrichtlijn en het voormelde arrest O en B, dat betrekking heeft op de Burgerschapsrichtlijn en artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) in het geval van het te beoordelen “recht op terugkeer”.

 

Echter, zowel de gemachtigde als verweerder in de nota gaan eraan voorbij dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie derdelanders die familielid zijn van een unieburger, die weliswaar verblijft in de lidstaat van zijn nationaliteit doch economische activiteiten (grotendeels) uitoefent in een andere lidstaat, in bepaalde weloverwogen situaties ook een afgeleid verblijfsrecht kunnen ontlenen rechtstreeks aan andere bepalingen van het VWEU.

 

Zo bijvoorbeeld blijkt uit het arrest van de grote kamer van het Hof van Justitie van 12 maart 2014 S. t. Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel en Minister voor Immigratie en Integratie en Asiel t. G. C-457/12 dat een afgeleid verblijfsrecht van een familielid derdelander van een unieburger, onder bepaalde specifieke voorwaarden, rechtstreeks kan ontleend worden aan artikel 45 van het VWEU. Deze zaak betreft unieburgers die wonen in de lidstaat van hun nationaliteit, doch zich voor hun beroepsactiviteiten regelmatig naar een andere lidstaat begeven zonder er gevestigd te zijn of geweest te zijn. Ook bijvoorbeeld kan artikel 56 van het VWEU blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie een aanknopingspunt zijn, onder welbepaalde specifieke voorwaarden, opdat een familielid derdelander een afgeleid verblijfsrecht kan laten gelden, zonder dat de unieburger die referentiepersoon is moet gevestigd zijn in een ander land dan het land van zijn nationaliteit, indien de unieburger diensten verstrekt in een andere lidstaat (HvJ 11 juli 2002, Carpenter, C-60/00).

 

De Raad volgt verweerder in de nota dan ook niet dat de gemachtigde na grondig onderzoek van de elementen die de concrete situatie van verzoekster daadwerkelijk kenmerken en conform het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht in het licht van artikel 40ter, § 1 heeft gehandeld.

Gezien het voorgaande kan verzoekster gevolgd worden dat de gemachtigde niet zonder meer zonder enig verder zorgvuldig onderzoek, op grond van de stukken die door verzoekster werden voorgelegd, op redelijke wijze kon oordelen dat haar dochter zijnde de referentiepersoon geen bewijzen heeft aangebracht dat ze gebruik maakte van haar recht op vrij verkeer.