Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
235.459
NBMV – niet-begeleide minderjarige – bijlage 38 – duurzame oplossing – hoger belang van het kind – eenheid van gezin – socio-economische situatie ouders in Marokko – algemene rapporten – onderzoek ter plaatse – garanties voor opvang en zorg – niet kennelijk onredelijk - verwerping

De verzoekende partij gaat niet verder in op deze motieven, maar houdt vol dat, mede gelet op de beperkte socio-economische draagkracht van het gezin, haar duurzame oplossing zich in België bevindt waar zij in het gezin van haar tante kan verblijven. Echter betwist, laat staan weerlegt, de verzoekende partij geenszins de motieven van de bestreden beslissing waarin wordt gesteld dat de verzoekende partij en haar gezin mogelijk kunnen rekenen op financiële hulp van derden, zoals zij reeds in het verleden hebben gedaan. Deze vaststelling van de gemachtigde van de minister is niet kennelijk onredelijk nu uit de verklaringen van de verzoekende partij, die zich in het administratief dossier bevinden, immers blijkt dat het gezin van haar tante instond voor alle kosten aangaande het visum en de reis naar België. Aldus wordt niet concreet ingegaan op de vaststelling dat de ouders van de verzoekende partij de zorg en opvang van hun zoon kunnen garanderen, “desgevallend met steun van de familie hier in België”.

 

Blijkens het betoog van de verzoekende partij, waarbij zij steunt op “General Comments” van het VN Kinderrechtencomité bij artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag (UN Committee on the rights of the child, General Comment no. 14 (2013), on the right of the child to have his or her best interests taken as a primary consideration (art.3, para.1), 29 mei 2013, CRC/C/GC/14.), zou artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag opleggen dat de gezinseenheid conform haar fysieke, geestelijke, spirituele, morele, psychologische en sociale ontwikkeling moet geïnterpreteerd worden. In casu kan er geen abstractie gemaakt worden van de concrete gegevens die voorliggen, met name dat verzoekers ouders aanwezig zijn in het land van oorsprong, zij aldaar een woning hebben en verzoekers vader voor het gezinsinkomen zorgt. Nergens uit de stukken van het administratief dossier of uit het verzoekschrift blijkt dat de socio-economische omstandigheden van verzoekers ouders in Marokko dermate precair zijn dat zij niet meer in staat zullen zijn om voor de verzoekende partij te zorgen. Het gegeven dat de socio-economische omstandigheden van verzoekers tante en oom in België beter zijn, doet hieraan geen afbreuk. Evenmin biedt de “General Comments n°14” van het VN Kinderrechtencomité een grondslag om een machtiging tot verblijf uit te reiken aan een minderjarige louter omdat zijn socio-economische kansen in een meer ontwikkeld land groter zijn dan in haar land van herkomst alwaar haar ouders nog woonachtig zijn, over een eigen woning beschikken en de vader tewerkgesteld is.

 

In casu heeft de verzoekende partij slechts selectief uit de General Comments n° 14 van het VN Kinderrechtencomité omtrent artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag geciteerd. Immers kan hierin ook gelezen worden: (…) Hieruit blijkt globaal dus het belang van de eenheid van het gezin die dient te worden hersteld indien de band tussen kind en ouders verbroken werd wegens migratie en dat de scheiding tussen ouders en kind enkel kan overwogen worden in uitzonderlijke gevallen wanneer er sprake is van verwaarlozing, het in de steek laten van het kind of indien er sprake is van risico voor de veiligheid van het kind. Evenmin kan hieruit afgeleid worden dat indien het de wil van de ouders en het kind is, om van elkaar gescheiden te worden omwille van economische redenen, de staten hieraan gevolg dienen te geven. De Raad wijst er nog op dat uitdrukkelijk wordt voorzien dat louter economische redenen geen rechtvaardiging kunnen zijn voor de scheiding van ouders en kind.

 

De verzoekende partij verwijst ook naar General Comment n° 6 van het VN Kinderrechtencomité inzake de behandeling van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (UN Committee on the rights of the child, General Comment no. 6 (2005), Treatment of Unaccompanies and seperated childrens outside their country of origin, 1 september 2005, CRC/GC/GC/2005/16). Hierin kan ook het volgende gelezen worden: “(…) Ook hieruit blijkt dus globaal het belang van de eenheid van het gezin dat bij uitzondering niet nagestreefd kan worden indien er sprake is van een risico op schending van fundamentele mensenrechten van het kind.

De verzoekende partij gaat verder in op haar voorgehouden problemen met het onderwijs in Marokko. Zij stelt dat de gemachtigde van de minister zich enkel beroept op de indrukken van een consulaire medewerker en op de verklaring van de school dat ze geen kinderen mishandelen. De verzoekende partij gaat met deze kritiek echter opnieuw voorbij aan de eigenlijke motieven van de bestreden beslissing:

 

(…)

 

De verzoekende partij gaat niet concreet in op deze motieven, maar stelt wel dat het evident is dat een school mishandelingen zal ontkennen. Zij verwijst in haar verzoekschrift naar een algemeen rapport van het Manara Netwerk uit augustus 2011, “Violence against children in schools: a regional analysis of Lebanon, Morocco and Yemen”, waarin wordt gesteld dat in Marokko veel scholen gebruik maken van lichamelijke straffen. Dergelijk algemeen rapport van negen jaar geleden is echter onvoldoende om afbreuk te doen aan de vaststellingen in de bestreden beslissing. De verzoekende partij laat immers na om haar verklaringen op enige wijze met objectieve stukken te staven. Bovendien blijkt uit het administratief dossier dat de consulaire medewerker zich niet heeft beroepen op de verklaringen van de school zelf, maar op die van mensen uit de omgeving die stellen dat er geen probleem is met deze school en dat de wet er wordt opgevolgd. In het kader van dit onderzoek komen de vaststellingen in de bestreden beslissing niet kennelijk onredelijk over.

 

Waar de verzoekende partij in haar verzoekschrift nog betoogt dat de familiebanden met haar familie niet goed zijn, dat zij mishandeld werd door haar vader en dat zij bij haar tante in België wel liefde, aandacht en zorg krijgt, wijst de Raad erop dat uit het geheel van de motieven in de bestreden beslissing blijkt dat met deze verklaringen rekening is gehouden, doch dat deze de gemachtigde van de minister niet hebben kunnen overtuigen van de nood aan een duurzame oplossing in België. De verzoekende partij gaat er immers aan voorbij dat zij in de aanvraag niet heeft verklaard dat zij werd mishandeld door haar vader. Bovendien heeft zij in het gehoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaard dat er twee redenen zijn waarom zij niet wil terugkeren naar Marokko, namelijk het onderwijs en armoede. Pas nadat erop wordt gewezen dat dit onvoldoende is om niet te willen terugkeren, wijst de verzoekende partij op de familiale problemen. Deze elementen zijn allemaal mee opgenomen in de bestreden beslissing en worden niet betwist door de verzoekende partij. Verder blijkt uit het onderzoek dat werd gevoerd door de consulaire medewerker in Marokko dat de verzoekende partij een goede band heeft met haar ouders en met haar broer en zus. Bovendien verklaren de ouders tegenover deze consulaire medewerker dat zij bereid zijn om de verzoekende partij terug op te nemen in het gezin en voor haar te zorgen. De resultaten van dit onderzoek werden ook opgenomen in de bestreden beslissing. Gelet op al deze elementen komt het niet kennelijk onredelijk over dat in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd dat: “op basis van de resultaten van het onderzoek ter plaatse we redelijkerwijze [kunnen] besluiten dat de familiale situatie en context niet van die aard is dat er geen garanties meer zijn op adequate opvang en verzorging aldaar noch dat de ouders zich in de onmogelijkheid bevinden omwille van de aangehaalde redenen, hun verantwoordelijkheid hiervoor op te nemen, wel in tegendeel”.

 

Voor zover de verzoekende partij nog betwist dat een consulaire medewerker op zicht de gezondheidssituatie en intelligentie van personen kan inschatten, gaat zij eraan voorbij dat in de bestreden beslissing tevens wordt gesteld dat er geen objectieve stukken voorliggen die de verklaringen van de verzoekende partij staven en dat het neergelegde medisch attest niet aantoont dat de moeder niet in staat zou zijn om de opvang en zorg voor haar kind op zich te nemen.

 

De verzoekende partij toont met haar uitgebreid betoog overigens op geen enkele wijze aan dat het situeren van een duurzame oplossing in het land van herkomst waar zij kan herenigd worden met haar ouders onder de in de bestreden beslissing vermelde omstandigheden, strijdig is met het belang van het kind zoals gegarandeerd in artikel 24 van het Handvest.

 

Gelet op het voorgaande, komt het niet kennelijk onredelijk over dat de verwerende partij tot de vaststelling komt dat er in casu voldoende garanties zijn op opvang en zorg door haar ouders in het land van herkomst, zoals wordt vereist in artikel 74/16 van de Vreemdelingenwet. De verzoekende partij toont met haar kritiek het tegendeel niet aan.