Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
235.479
Gezinshereniging – stiefzoon van een Belg – art. 40ter Vw. – beslissingstermijn – zuiver interne situatie – Richtlijn 2004/38 en Diallo niet van toepassing – vervaltermijn heeft betrekking op nemen beslissing, niet op betekening – verwerping

In het eerste middelonderdeel verwijst verzoeker naar artikel 42 van de Vreemdelingenwet en artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit, en betoogt hij dat de bestreden beslissing hem werd betekend na het verstrijken van de termijn van zes maanden na het indienen van de aanvraag. 

 

Verzoeker is de stiefzoon van de Belgische referentiepersoon. Uit niets blijkt dat deze laatste zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie heeft uitgeoefend. Het betreft dus een zuiver interne situatie, waarop het Unierecht niet van toepassing is. Een richtlijnconforme interpretatie van een nationale bepaling is aan de orde, onder meer in gevallen waarin de feiten van het hoofdgeding weliswaar niet binnen de directe werkingssfeer van het Unierecht vallen, maar de bepalingen van dat recht van toepassing zijn op grond van de nationale wettelijke regeling waarin ten aanzien van situaties waarvan alle aspecten zich binnen één lidstaat afspelen, is gekozen voor dezelfde aanpak als in het Unierecht.

 

De door verzoeker ingediende aanvraag, die tot de bestreden beslissing heeft geleid, is gesteund op artikel 40ter van de Vreemdelingenwet. Het blijkt geenszins dat bij de wijziging van artikel 40 en volgende van de Vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen werd gekozen voor dezelfde aanpak voor gezinshereniging van een derdelander met een zogenaamde “statische” Belg als met een andere Unieburger. Integendeel, er is uitdrukkelijk voor gekozen dat die “Belgen op voet van gelijkheid [worden] geplaatst met de vreemdelingen uit derde landen” en dat “de wet bijgevolg strenger zal worden toegepast ten aanzien van de Belgen dan ten aanzien van de burgers die de nationaliteit hebben van een lidstaat van de Europese Unie” (Parl. Stukken Kamer, nr. 53/0443-14, 150).

 

Bij gebrek aan aanknoping met de bepalingen van het Unierecht kan verzoeker niet dienstig verwijzen naar de interpretatie van richtlijn 2004/38 en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. (RvS 6 november 2019, nr. 245.995) Evenmin kan verzoeker zich beroepen op de door hem geschonden geachte bepalingen van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

 

Artikel 42, §1, eerste lid van de Vreemdelingenwet bepaalt:

 

“Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.”

 

Artikel 52, §4, tweede lid  van het Koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: het Vreemdelingenbesluit) bepaalt wat volgt:

 

“Indien de Minister of zijn gemachtigde het verblijfsrecht toekent of als er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald bij artikel 42, van de wet, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling een “verblijfkaart van een familielid van een burger van de Unie” overeenkomstig het model van bijlage 9 af.”

 

De in artikel 42, §1,eerste lid van de Vreemdelingenwet bedoelde termijn van zes maanden heeft enkel betrekking op het nemen van de “beslissing”. Noch in de wettekst, noch in de voorbereidende werken, noch in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof komt de termijn van de kennisgeving aan bod.

 

Ook in artikel 52, § 4 van het Vreemdelingenbesluit is enkel sprake van de situatie waarin geen enkele beslissing is genomen binnen de in het voornoemde artikel 42 bepaalde termijn. In deze uitvoeringsbepaling is evenmin sprake van een termijn voor de kennisgeving van de beslissing (RvS 24 oktober 2017, nr. 239.533)

 

Nu uit het voorgaande volgt dat de bedoelde vervaltermijn van zes maanden enkel betrekking heeft op het nemen van de “beslissing”, niet op de betekening ervan, en nu niet wordt betwist dat de bestreden beslissing tijdig werd genomen, moet worden vastgesteld dat de vervaltermijn werd gerespecteerd en geen aanleiding kan geven tot het gevolg dat artikel 52, §4 van het Vreemdelingenbesluit verleent aan het overschrijden ervan.

 

Het eerste middelonderdeel is niet gegrond.