Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
220.122
Gezinshereniging – art. 10 Vw. – aanvraag in België - buitengewone omstandigheden – art. 12bis, § 7 Vw. – hoger belang van het kind – belangenafweging – jonge kinderen – tijdelijke scheiding – art. 8 EVRM – art. 7 Handvest – ruime beoordelingsmarge vereist nauwgezette motiveringsplicht – vernietiging

De gedane belangenafweging kan bezwaarlijk beschouwd worden als een concrete, evenwichtige en redelijke beoordeling van álle in het geding zijnde belangen, in het bijzonder de belangen van de betrokken kinderen versus de belangen van de Staat. Uit de bestreden beslissing blijkt dat inzake verzoekster zelf wordt benadrukt dat zij reeds sedert 2010 illegaal in het Rijk is en verschillende bevelen om het grondgebied te verlaten negeerde. Maar meer in het bijzonder kan voor de kinderen (drie jaar en bijna twee jaar oud op het ogenblik van de bestreden beslissingen) bezwaarlijk worden gesteld dat hun enige belang bestaat in het contact onderhouden binnen het gezin en dat hun opvoeding nog steeds kan worden besproken tussen de ouders. De verwerende partij laat na om op afdoende wijze uiteen te zetten waarom de belangen van de staat in casu moeten doorwegen op de belangen van de kinderen en meer bepaald waarom de belangen van de staat in casu een tijdelijke scheiding vergen tussen verzoekster en haar gezinsleden of een tijdelijke scheiding van verzoekster en de kinderen van hun vader.

 

Dat de verwerende partij van oordeel is dat deze belangen gedekt zijn door de mogelijkheid om met verzoekster mee te reizen – zonder hierbij deze mogelijkheid concreet te onderzoeken en zonder hierbij rekening te houden met het feit dat de kinderen op die manier van hun in België verblijvende vader worden gescheiden terwijl de eenheid van het gezin een belangrijke overweging diende te zijn – of door de mogelijkheid om de kinderen in België te laten waarbij het gezin contact onderhoudt en de ouders de opvoeding bespreken – zonder deze mogelijkheid te onderzoeken en in rekening te brengen dat de jonge kinderen op die manier van hun moeder worden gescheiden -, getuigt niet van een redelijke en evenwichtige beoordeling. Verder laat de verwerende partij na om uiteen te zetten waarom de belangen van de staat zouden moeten doorwegen op de belangen van kinderen van drie en bijna twee jaar oud en meer bepaald waarom de belangen van de staat een tijdelijke scheiding vergen tussen verzoekster en haar gezinsleden, hoewel het heel jonge kinderen betreft en hoewel het effectief beleefde huwelijks- en gezinsleven niet in vraag worden gesteld. De Raad herinnert eraan dat de ruime beoordelingsmarge die de verwerende partij ontegensprekelijk heeft in deze eveneens een meer nauwgezette motiveringsplicht vereist, die des te meer geldt in het licht van artikel 12bis, § 7 van de vreemdelingenwet – bepaling die moet worden uitgelegd in het licht van de richtlijn 2003/86/EG en de rechtspraak van het Hof van Justitie – en de billijke belangenafweging vereist onder artikel 8 van het EVRM.

 

De omstandigheid dat in de tweede bestreden beslissing wordt vermeld dat de echtgenoot van verzoekster in België een zus heeft waar het gezin tot november 2017 bij heeft gewoond, dat deze zus tijdelijk kan bijspringen voor de opvang, dat er andere mogelijkheden tot kinderopvang bestaan in België, doet geen afbreuk aan het feit dat deze elementen niet vermeld worden in de belangenafweging in het kader van de buitengewone omstandigheden zoals vermeld in artikel 12bis van de vreemdelingenwet. Zelfs al zou hieruit blijken dat de verwerende partij in de tweede bestreden beslissing is overgegaan tot een meer concreet onderzoek dan in de eerste bestreden beslissing, neemt dit niet weg dat de verwerende partij niet in rekening heeft gebracht dat de kinderen in dat geval nog steeds van de moeder worden gescheiden en dat het loutere feit van het bestaan van opvangmogelijkheden niet volstaat als enig belang van de kinderen dat dient te worden afgewogen.

 

In haar nota repliceert de verwerende partij dat zij een ruime appreciatiebevoegdheid heeft in het kader van artikel 12bis van de vreemdelingenwet, dat het gezin contact kan onderhouden via moderne communicatiemiddelen (wat zij pas voor het eerst vermeldt in de nota), dat de echtgenoot en de kinderen haar kunnen vergezellen of opzoeken (wat zij pas voor het eerst vermeldt in de nota) en verwijst zij naar het motief inzake het hoger belang van de kinderen en het contact houden tijdens de gebeurlijke periode van tijdelijke scheiding. De verwerende partij betwist evenwel niet dat ze gehouden was om terdege rekening te houden met het belang van de betrokken kinderen, quod non in casu.

 

De verwerende partij wijst er in de nota op dat verzoekster haar gezinsleven heeft ontwikkeld in illegaal verblijf en daaruit geen rechten kan putten. Zij gaat hierbij voorbij aan het feit dat verzoekster een verzoek tot gezinshereniging indiende op basis van artikel 10 van de vreemdelingenwet, dat de omzetting vormt van de artikelen 4 en 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Het Hof van Justitie oordeelde reeds in de zaak C-540/03 dat deze richtlijn verder gaat dan artikel 8 van het EVRM, aangezien artikel 4, lid 1 van de richtlijn precieze verplichtingen oplegt aan de lidstaten waaraan duidelijk omschreven subjectieve rechten beantwoorden. Daardoor zijn de lidstaten verplicht om, in de door de richtlijn vastgestelde gevallen, de gezinshereniging van de leden van het kerngezin van de gezinshereniger toe te staan zonder dat de lidstaten hier hun beoordelingsmarge kunnen uitoefenen en voor zover is voldaan aan de in artikel 7 van de richtlijn gestelde voorwaarden. Wat betreft de gezinsleden van de gezinshereniger, specificeert de richtlijn overigens dat het moet gaan om “onderdanen van een derde land met ongeacht welke status”. Artikel 10, § 1, 4° voorziet dat een echtgenoot van een in België verblijfsgerechtigde derdelander, van rechtswege toegelaten is tot verblijf mits aan de gestelde verblijfsvoorwaarden is voldaan. Noch uit de Gezinsherenigingsrichtlijn, noch uit de vreemdelingenwet volgt dat het ontwikkelen van een gezinsleven tijdens legaal verblijf een voorwaarde is om een verblijfsrecht te kunnen verkrijgen. Daarenboven is dit betoog niet dienstig nu de bestreden beslissing zich (nog) niet uitspreekt uit over de vraag of verzoekster in aanmerking komt voor een verblijfsrecht, maar wel over de vraag of verzoekster haar verzoek tot gezinshereniging kan indienen in België. Het verweer in de nota doet geen afbreuk aan de vaststelling dat het middel in de aangegeven mate gegrond is.