Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
215.675
Art. 9bis Vw. – onontvankelijk – vluchtelingenstatus in Bulgarije – art. 3 EVRM – slechte levensomstandigheden voor migranten in Bulgarije – verwijzing naar algemene rapporten volstaat niet – geen individuele omstandigheden aangetoond – verwerping

Door te verwijzen naar algemene rapporten, terwijl uit haar persoonlijke situatie blijkt dat zij geenszins in een economisch deplorabele toestand zat in Bulgarije, doet de verzoekende partij geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen.

 

Bovendien moet worden opgemerkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name wat asielzoekers betreft, reeds oordeelde dat socio-economische of humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn wanneer de omstandigheden waarvan sprake als dusdanig kunnen worden aangemerkt als een onmenselijke of vernederende behandeling. Dit betreft in essentie ernstige humanitaire omstandigheden of socio-economische behandelingen van uitzonderlijke aard die het gevolg zijn van het handelen of de nalatigheid van actoren (overheidsactoren of niet-overheidsactoren) en gepaard gaan met de onmogelijkheid om in elementaire levensbehoeften zoals voedsel, hygiëne en huisvesting te voorzien, waarbij de eventuele kwetsbaarheid van de verzoeker voor slechte behandeling evenals het vooruitzicht op een verbetering van zijn situatie binnen een redelijke termijn relevante afwegingen uitmaken (EHRM 21 januari 2011, nr. 30696/09, M.S.S. / België en Griekenland, § 254; EHRM 28 juni 2011, nrs. 8319/07 en 11449/07, Sufi en Elmi / Verenigd Koninkrijk, § 283; EHRM 29 januari 2013, nr. 60367/10, S.H.H. / Verenigd Koninkrijk, § 76). Dit principe geldt zodoende a fortiori in het geval van verzoekende partij, aangezien zij erkend werd als vluchteling in Bulgarije en hier de nodige verplichtingen uit volgen voor de lidstaat in kwestie.

 

Naar analogie kan eveneens worden verwezen naar twee uitspraken van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties, dat recent standpunt heeft ingenomen over een mogelijke schending van artikel 7 van het Internationaal verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO)

 

(verbod op foltering en wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing) in enkele gevallen waarin Denemarken oordeelde dat Syriërs met een vluchtelingenstatus in Bulgarije naar dit “eerste land van asiel” konden worden teruggeleid.

 

Uit beide uitspraken, i.c. communicatie nr. 2569/2015 d.d. 16 december 2016, B.M.I. en N.A.K. / Denemarken, § § 8.6, 8.7, 9 en communicatie nr. 2608/2015 d.d. 29 december 2016, R.A.A. en Z.M. / Denemarken, § § 7.8 en 7.9, kan worden afgeleid dat het comité in beginsel niet aanvaardt dat de algemene landeninformatie, die sinds enkele jaren een gelijkaardige situatie in Bulgarije beschrijft, volstaat om te besluiten tot zulk een schending, maar bij de beoordeling vooral ook aandacht besteedt aan en nadruk legt op de individuele omstandigheden en het persoonlijk wedervaren van de betrokkene, evenals concrete aanwijzingen van een bijzondere kwetsbaarheid.

 

Zoals de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ook al aangaf in de beslissing tot afwijzing van de asielaanvraag van verzoekende partij, verschilt verzoeksters situatie als persoon die internationale bescherming geniet fundamenteel van de situatie van de persoon die om internationale bescherming verzoekt. Als persoon die internationale bescherming geniet, heeft zij binnen de Europese Unie immers een specifieke bescherming tegen refoulement. Overeenkomstig het recht van de Europese Unie zijn er ook een verblijfsrecht en diverse rechten en voordelen op het gebied van toegang tot werk, sociale bescherming, gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en integratie verbonden met haar status. Het feit dat de algemene economische toestand in de lidstaten van de Europese Unie verschillend is, ondermijnt deze vaststelling niet. Niet alle ingezetenen van de Europese Unie hebben een gelijkwaardige toegang tot huisvesting, werk en andere sociale infrastructuren. Dit geldt ook voor personen die internationale bescherming binnen de Europese Unie genieten. De vaststelling dat er verschillen bestaan tussen de lidstaten van de Europese Unie in de toekenning van rechten aan personen die internationale bescherming genieten, en de mate waarin zij deze rechten kunnen doen gelden, houdt in hoofde van verzoekende partij op zich geen schending in van artikel 3 EVRM. Bulgarije is als lidstaat van de Europese Unie gebonden aan het EU-acquis dat voorziet in (minimum)normen inzake rechten en voordelen die verbonden zijn aan verzoeksters beschermingsstatus en waarvan zij gebruik kan maken.

 

Verzoekende partij citeert uit een rapport van de mensenrechtencommissaris bij de Raad van Europa, Nils Muižnieks, van 2015 over Bulgarije, een AIDA rapport van februari 2017 en een COI Focus van 2016, en betoogt dat veel vluchtelingen in Bulgarije in mensonterende omstandigheden dienen te (over)leven, en dat ze slachtoffer dreigen te worden van haatmisdrijven en racisme.

 

Verzoekende partij kan echter niet volstaan met een loutere verwijzing naar de algemene situatie van asielzoekers en vluchtelingen/subsidiair beschermden in Bulgarije teneinde aannemelijk te maken dat de bescherming die haar in Bulgarije verleend werd ontoereikend zou zijn. De Raad benadrukt dat in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd dat verzoekende partij geen stukken voorlegt die doen blijken dat de beoordeling van de asielinstantie niet meer opgaat.

 

(…)

 

Verzoekende partij toont geenszins aan dat zij zich niet zou kunnen richten tot de Bulgaarse overheid indien zij dreigt slachtoffer te worden van fysiek of verbaal geweld / racisme en dat deze overheid haar niet terdege kan beschermen. Het gegeven dat er gerapporteerd werd over onregelmatigheden die hebben plaatsgevonden in een bepaald opvangcentrum, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Waar verzoekende partij er algemeen ook op wijst dat er soms geweigerd wordt om identiteitsdocumenten aan vluchtelingen af te geven, benadrukt de Raad dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekende partij door de Bulgaarse overheid wel degelijk in bezit werd gesteld van identiteitsdocumenten, immers is zij in het bezit van een Bulgaars paspoort. Hieruit blijkt dat de algemene situatie waarnaar zij verwijst, alleszins niet van toepassing is op haar situatie.

 

Waar verzoekende partij stelt dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met het gegeven van racisme in Bulgarije, is zij geenszins ernstig nu de verwerende partij verwijst naar de afwijzing van haar asielaanvragen waar dit element wel degelijk aan bod is gekomen en ook besproken.

 

De Raad benadrukt nogmaals dat, wat het onderzoek van de algemene situatie in een land betreft, het EHRM vaak belang hecht aan de informatie vervat in de recente verslagen afkomstig van onafhankelijke internationale organisaties voor de verdediging van de rechten van de mens zoals Amnesty International of van regeringsbronnen (zie bv. EHRM 21 januari 2011, M.S.S./België en Griekenland, §§ 347 en 348; EHRM 5 juli 2005, Said/Nederland, § 54; EHRM 26 april 2005, Müslim/Turkije, § 67; EHRM 15 november 1996, Chahal/Verenigd Koninkrijk, §§ 99-100), maar het EHRM heeft eveneens geoordeeld dat een eventualiteit van slechte behandelingen wegens een instabiele conjunctuur in een land op zich niet leidt tot een inbreuk op artikel 3 van het EVRM (zie: EHRM 30 oktober 1991, Vilvarajah en cons./Verenigd Koninkrijk, § 111) en dat, wanneer de bronnen waarover het beschikt, een algemene situatie beschrijven, de specifieke beweringen van een verzoekende partij in een geval moeten worden gestaafd door andere bewijselementen (zie: EHRM 4 december 2008, Y./Rusland, § 9; EHRM 28 februari 2008, Saadi/Italië, § 131; EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askarov/Turkije, § 73; EHRM 26 april 2005, Müslim/Turkije, § 68).

 

Zoals duidelijk blijkt kan geenszins aangenomen worden, gelet op de persoonlijke situatie van verzoekende partij, dat zij bij een terugkeer naar Bulgarije dreigt onderworpen te worden aan een behandeling strijdig met artikel 3 EVRM. Zoals de verwerende partij niet kennelijk onredelijk oordeelt overtuigt verzoekende partij geenszins waar zij zichzelf het profiel aanmeet van een alleenstaande vrouw die geen economische slagkracht zou hebben in Bulgarije. Evenmin blijkt dat zij zich niet zou kunnen wenden tot de Bulgaarse autoriteiten wanneer zij het slachtoffer zou dreigen te worden van fysiek of verbaal geweld.