Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
283.757
Art. 9ter Vw. – uitsluiting – gevaar voor samenleving of nationale veiligheid – art. 55/4, § 2 Vw. – art. 17, lid 1, d Richtlijn 2011/95/EU – actualiteitsvoorwaarde – laatste veroordeling in 2013 – KB tot uitzetting in 2016 – actuele gezondheid – zorgvuldigheidsbeginsel - vernietiging

Uit de bewoordingen van artikel 55/4, § 2 van de Vreemdelingenwet en artikel 17, lid 1, d) van de richtlijn 2011/95/EU dat de betrokkene een gevaar “vormt” voor de samenleving waarin hij zich bevindt, volgt dat dit gevaar een actueel karakter moet hebben. Hiermee onderscheidt deze bepaling zich ook van artikel 55/4, § 1 van de Vreemdelingenwet en artikel 17, lid 1, a) tot en met c) van de richtlijn 2011/95/EU.

 

Voor zijn beoordeling of de betrokkene actueel een gevaar vormt voor de samenleving dient verweerder alle relevante gegevens in rekening te brengen.

 

In de bestreden beslissing wijst verweerder op de feiten van diefstal, bezit en/of verkoop van verdovende middelen en weerspannigheid tegen de ordediensten die verzoeker pleegde in de periode van februari 2006 tot en met mei 2013 en waarvoor hij enkele strafrechtelijke veroordelingen opliep. Hij citeert vervolgens het op 10 november 2017, bij verzoekers vrijlating uit de gevangenis, in werking getreden koninklijk besluit tot uitzetting van 6 juli 2016 waarbij verzoeker, op grond van de voormelde feiten, de toegang tot het grondgebied werd verboden voor een periode van 10 jaar om redenen van openbare orde. Op basis van de voormelde feiten is verweerder van oordeel dat verzoeker een gevaar vormt voor de samenleving.

 

Verzoeker voert aan dat verweerder er met zijn beoordeling niet in slaagt aan te tonen dat hij actueel een gevaar vormt voor de samenleving. Er is volgens hem geen sprake van een nauwkeurig en individueel onderzoek in dit verband. Hij erkent dat in het verleden gesteld gedrag hierbij een rol kan spelen, maar stelt dat dit niet sluitend is. Hij benadrukt dat zijn laatste veroordeling dateert van augustus 2013, en dus van 9 jaar geleden. Hij stelt dat onterecht geen rekening is gehouden met de context waarbinnen hij de feiten heeft gepleegd, met zijn ernstige psychiatrische problemen, met zijn verstandelijke beperking en met het gegeven dat hij zijn straffen volledig heeft ondergaan. Hij stelt dat een loutere opsomming van eerdere veroordelingen omwille van feiten van openbare orde niet volstaat om hem uit te sluiten van het voordeel van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, en het in dit verband evenmin volstaat om het koninklijk besluit tot uitzetting uit 2016 te citeren. Hij wijst erop dat de afweging die werd doorgevoerd in dit koninklijk besluit dateert van zes jaar geleden en hiermee het actueel gevaar voor de samenleving niet blijkt. Hij wijst er nog op dat het gebrek aan beoordeling inzake het actuele karakter van de bedreiging voor de openbare orde reeds werd vastgesteld door de Raad in zijn eerdere vernietigingsarrest van 26 november 2019. Hij is van mening dat onterecht geen enkele afweging is gemaakt met betrekking tot de elementen inzake zijn geestestoestand in het medisch verslag van psychiater P.D. van 20 maart 2019, die volgens hem in relatie staan met de gepleegde strafrechtelijke feiten. Hij wijst nog op de naderhand ter ondersteuning van de aanvraag overgemaakte attesten van dezelfde psychiater van meer recente datum.

 

Kernvraag is dus of verweerder al dan niet op zorgvuldige wijze heeft besloten tot de uitsluiting van verzoeker van de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf om medische redenen omdat hij een gevaar vormt voor de samenleving.

 

De Raad volgt verzoeker in zijn standpunt dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verweerder een concreet en zorgvuldig onderzoek heeft gevoerd naar het actueel karakter van het gevaar voor de samenleving. Verweerder beperkt zich ertoe te verwijzen naar de eerder door verzoeker gepleegde strafrechtelijke feiten in de periode van 2006-2013 waarvoor hij enkele strafrechtelijke veroordelingen opliep en naar het op basis hiervan op 6 juli 2016 genomen koninklijk besluit tot uitzetting, zonder dat blijkt dat hij concreet heeft beoordeeld of op basis van deze feiten en gelet op de eerdere beoordeling ook actueel nog een gevaar voor de samenleving blijkt dat voldoende ernstig is in het licht van de ingeroepen gezondheidstoestand, rekening houdend met de gegevens dat verzoeker zijn volledige gevangenisstraf heeft uitgezeten en dat niet blijkt dat hij sindsdien nog strafrechtelijke feiten pleegde en rekening houdend met verzoekers actuele (gezondheids)toestand zoals geschetst in de door hem voorgelegde medische verslagen van zijn psychiater. In deze verslagen legt de behandelende psychiater een verband tussen de eerder door verzoeker gepleegde feiten van openbare orde en drugs- en alcoholmisbruik en wordt vervolgens, onder meer, aangegeven dat verzoeker momenteel geen alcohol meer zou drinken en geen drugs meer zou gebruiken, dat hij tracht om dealers en anderen uit het drugsmilieu te mijden en dat hij optimaal meewerkt aan de behandeling van zijn psychiatrische problemen. Verweerder kan in zijn beoordeling een belangrijk gewicht toekennen aan de eerdere veroordelingen en vaststellingen in het koninklijk besluit tot uitzetting, maar dit neemt niet weg dat hij voor de beoordeling van het huidige gevaar voor de samenleving ook de voorliggende meer recente en relevante elementen in zijn beoordeling moet betrekken. Er blijkt niet dat hij dit heeft gedaan. Het verweer in de nota met opmerkingen doet geen afbreuk aan deze vaststellingen. In de mate dat verweerder in zijn nota met opmerkingen alsnog overgaat tot een dergelijke beoordeling moet worden vastgesteld dat dit een a posteriori beoordeling betreft die geen afbreuk kan doen aan het vastgestelde gebrek aan zorgvuldigheid bij de totstandkoming van de bestreden beslissing.