Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
283.799
Verzoek om internationale bescherming – asiel – Afghanistan – chauffeur van hoofd van het Directoraat van nomaden en voor Hewad partij – personen verbonden met voormalige Afghaanse regering – voornamelijk personen in centrale posities en van specifieke ministeries – geen objectieve informatie over personen voor wie verzoeker gewerkt heeft - vernietiging

Met betrekking tot de door verzoeker aangehaalde vrees voor vervolging door de taliban omwille van zijn activiteiten als chauffeur voor F.D., het voormalige hoofd van het directoraat van Nomaden onder het voormalige Afghaanse regime, stelt de Raad het volgende vast.

 

Verzoeker legt bij de indiening van zijn verzoek om internationale bescherming een aantal documenten neer met betrekking tot zijn activiteiten als chauffeur van F.D., waaronder een kopie van zijn werkbadge, zijn rijbewijs en een reeks foto’s waarop verzoeker te zien is en een aantal foto’s van een persoon die door verzoeker zijn aangeduid als zijn werkgever, F.D. (administratief dossier, documenten voorgelegd door de asielzoeker, stukken 2, 5, 6). Verzoeker legt ook een kopie neer van een partijkaart van de partij Hedawar, waarvoor hij na het vertrek van F.D. uit Afghanistan, zou blijven werken zijn als chauffeur (administratief dossier, documenten voorgelegd door de asielzoeker, stuk 3). De kopie van de werkbadge is deels in het Engels opgesteld en vermeldt de door verzoeker bij indiening van zijn verzoek om internationale bescherming opgegeven voornaam en is uitgegeven door de Islamic Republic of Afghanistan, General Directorate of Kuchi (Nomad). Het document vermeldt verder: “job title: driver” en “validity 2/18/2019”. Op een aantal foto’s is verzoeker te zien met een persoon in militair uniform en op een foto met een persoon die door verzoeker werd aangeduid als zijn werkgever F.D..

 

In de bestreden beslissing wordt gesteld dat op basis van verzoekers verklaringen en de door hem voorgelegde documenten verwerende partij van oordeel is dat het “er sterk op lijkt dat verzoeker naar Afghanistan is teruggekeerd en daar ook werkte als chauffeur voor D.F.” maar niet aannemelijk maakt dat hij hierdoor een vrees voor vervolging loopt.

 

In de bestreden beslissing wordt vooreerst gewezen op het feit dat verzoeker verklaarde dat hij enkel werkte als chauffeur, niet persoonlijk betrokken was bij incidenten en nooit actief was buiten Kabul zelf, zodat zijn job kan worden gekwalificeerd als een job met een gering profiel en een geringe zichtbaarheid. Verzoeker betwist dit, stelt dat de verwerende partij zijn profiel als persoon die voor de Afghaanse overheid werkt niet goed onderzocht heeft en meent dat het feit dat zijn voormalige werkgever naar de taliban is gevlucht naar de VS en het feit dat verzoeker onmiddellijk na de machtsovername Afghanistan ontvlucht is een positieve indicatie van zijn vrees voor vervolging is. Hij wijst er ook op dat hij wel degelijk een zichtbare positie had als chauffeur aangezien hij overal meeging met zijn werkgever naar ministeries en politieke bijeenkomsten.

 

Uit het door verwerende partij bijgebrachte rapport EU AA Country Guidance Afghanistan van april 2022 blijkt dat personen verbonden met de voormalige Afghaanse regering, zoals ambtenaren en leden van het gerechtelijk apparaat als een risico profiel worden omschreven. Daarbij wordt gesteld dat werknemers van ministeries die het voortouw namen in de strijd tegen opstandige groeperingen voor de machtsovername, zoals het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie regelmatig werd geviseerd door de taliban en dat werknemers van andere ministeries in mindere mate werden geviseerd, waarbij persoonlijke vijandschap met talibanstrijders of openlijke verklaringen tegen de taliban een rol speelden. Na de machtsovername kondigde de taliban weliswaar een amnestie aan voor iedereen die tegen hen gevochten had, maar er zijn wraakacties gerapporteerd door de taliban tegen leden van de voormalige regering en het gerechtelijk apparaat. Met name personen met centrale posities in het leger, politie en onderzoekseenheden en leden van het gerechtelijk apparaat worden beschouwd als personen die in het bijzonder risico lopen in het algemeen een gegronde vrees voor vervolging hebben. Voor andere personen onder dit profiel moeten bij het beoordelen van de redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de verzoeker vervolging riskeert in geval van terugkeer risicobepalende omstandigheden zoals de regio van herkomst, geslacht, en persoonlijke vijandschappen worden in acht genomen.

 

Uit het recentere rapport EUAA “Afghanistan Targeting of Individuals” van augustus 2022 blijkt verder dat voornamelijk hooggeplaatste personen die voor de voormalige regering werkten werden geviseerd na de machtsovername door de taliban. Evenwel wordt in in dit rapport ook, verwezen naar een rapport van UNAMA, “Human Rights In Afghanistan. 15 August 2021 – 15 June 2022”, van juli 2022. Daarin leest de Raad dat in de verslagperiode UNAMA HRS 160 buitengerechtelijke moorden, 178 willekeurige arrestaties en vasthoudingen, 23 gevallen van incommunicado detentie en 56 gevallen van mishandeling en foltering van voormalige ANDSF en regeringsambtenaren door de de facto autoriteiten. Deze incidenten na de machtsovername vonden plaats over het gehele grondgebied en personen met zeer uiteenlopende profielen en connecties met de voormalige regering getroffen, gaande van senior ambtenaren tot chauffeurs, lijfwachten en familieleden van de voormalige regering en ANDSF leden werden daarbij geviseerd. In dit rapport worden verschillende voorbeelden vermeld van moorden op personen die zowel hoge of centrale posities hadden als personen met logistieke functies in verschillende provincies (UNAMA, p. 13-15).

 

Uit dit alles blijkt dat voornamelijk personen in centrale posities onder de voormalige Afghaanse regering, en in het bijzonder specifieke ministeries die nauw betrokken waren bij de strijd tegen gewapende groeperingen worden geviseerd door de taliban maar dat ook personen in lagere posities geviseerd kunnen worden maar dat dit afhangt van specifieke risico-bepalende omstandigheden.

 

Zoals hoger reeds aangehaald lijkt de bestreden beslissing ervan uit te gaan dat verzoeker inderdaad als chauffeur werkte voor het Directoraat voor de Nomaden onder de voormalige regering, F.D.. De Raad stelt vast dat het administratief dossier evenwel geen objectieve informatie bevat over deze persoon, die blijkbaar een hoge functie had, noch over het Directoraat van de Nomaden en de manier waarop personen die aan dit directoraat verbonden waren door de huidige de-facto autoriteiten worden gepercipieerd. Volgens verzoekers verklaringen zou deze persoon zich momenteel in de Verenigde Staten bevinden, maar hiervan liggen geen stukken neer. Ook met betrekking tot de partij Hewad, waarvan F.D. het hoofd zou geweest zijn volgens verzoeker, bevat het administratief dossier geen enkele informatie. Evenmin kan uit de bestreden beslissing of het administratief dossier blijken dat een poging werd ondernomen om hierover meer specifieke informatie te verzamelen.

 

Verder stelt de Raad vast dat verzoeker verklaart dat hij zelf tot de Kuchi behoort. De beschikbare landeninformatie bevat slechts summiere informatie over de Kuchi en hun positie na de  machtsovername en heeft vooral betrekking op conflicten tussen Kuchi, Pashtun Nomaden en Hazara’s over grondconflicten, waar bij de Kuchi voor de machtsovername in dergelijke conflicten vaak de steun kregen van de taliban (EU AA, Targeting Individuals, p. 134 e.v.). Evenwel wordt ook melding gemaakt van een incident in Nangarhar na de machtsovername waarbij een dokter en ambulancier die een Kuchi persoon naar het ziekenhuis wilden brengen, naar het ziekenhuis werd gebracht. Ook blijkt de door de taliban afgekondigde amnestie voor personen die voor de machtsovername met de regering samenwerkten in de praktijk vaak niet te worden nageleefd en wordt in tegendeel melding gemaakt van wraakacties en afrekeningen door de taliban op lokaal niveau (EUAA, Targeting of Individuals, p. 55 e.v.).

 

In de huidige stand van zaken kan de loutere vaststelling dat verzoeker voor de machtsovername nooit persoonlijk betrokken was bij incidenten en nooit buiten Kaboel actief was, niet goed geïnformeerd was over de politieke beweging Hewad en een gering profiel heeft niet volstaan om te besluiten dat verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk maakt. Verder is verzoekers kritiek dat hij als chauffeur net wel een zichtbaar profiel had nu hij overal zijn baas vergezelde tot diens vertrek uit Afghanistan niet zonder grond.

 

Bij gebrek aan specifieke informatie over de rol van het Directoraat van de Nomaden voor de machtsovername, de rol en positie van F.D. die volgens verzoeker het hoofd van dit Directoraat was en momenteel in de Verenigde Staten zou verblijven en wiens familie nog steeds ondergedoken in Afghanistan zou verblijven, is de Raad in de huidige stand van zaken niet in de mogelijkheid om een nauwkeurige en toekomstgerichte beoordeling te maken van het risico dat verzoeker omwille van zijn functie als chauffeur voor het hoofd van dit directoraat en de partij Hewad in geval van terugkeer naar Afghanistan.

 

Gelet op het voorgaand en de grenzen van de ondervraging tijdens de terechtzitting, kan in deze stand van zaken de Raad het beschermingsverzoek niet op nuttige wijze evalueren in het kader van een devolutief beroep.