Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
231.809
Art. 9bis Vw. – onontvankelijk – buitengewone omstandigheden – geen Belgische ambassade in Kosovo – aanvraag moet worden ingediend in Sofia in Bulgarije – administratieve en financiële onmogelijkheid om visum voor Bulgarije te verkrijgen – DVZ aanvaardde precaire financiële situatie – stereotiep en te algemeen motief in verband met hulp van verwanten, vrienden of kennissen – vernietiging

Zoals de gemachtigde zelf erkent, brengt het feit dat de aanvraag moet worden ingediend in Sofia en niet kan ingediend worden in Kosovo, bijkomende kosten en een omweg met zich mee. De vraag is dus of verzoekers terecht aanvoeren dat dit voor hun specifieke situatie bijzonder moeilijk is, dermate dat het disproportioneel is om van hen te verwachten dat zij zich als gezin met twee kleine kinderen naar Sofia moeten begeven, eerst nadat zij een visum hebben kunnen bekomen en vervolgens om aldaar de aanvraag om verblijfsmachtiging in te dienen. Verzoekers hebben immers aangevoerd in de aanvraag dat zij slechts over beperkte financiële middelen beschikken om te overleven en een reis met het hele gezin naar Bulgarije financieel niet haalbaar is. Zij voerden eveneens aan dat indien zij de aanvraag om een machtiging tot verblijf in Sofia zouden moeten doen, de kinderen belangrijke schoolmaanden zouden verliezen. De gemachtigde stelt in de bestreden beslissing dat verzoekers de financiële en materiële onmogelijkheid om dat visum voor Bulgarije te bekomen met geen enkel bewijsstuk staven en dat verder kan aangenomen worden dat verzoekers verwanten, vrienden of kennissen hebben, die bereid zijn om te helpen. Meer concreet verwijst de gemachtigde naar familieleden van verzoekers.

 

Vooreerst stelt de Raad vast dat verzoekers in de aanvraag niet enkel hebben gesteld dat het administratief en financieel moeilijk is om een visum te bekomen voor Bulgarije, maar eveneens financieel onmogelijk is om zich met het hele gezin naar Bulgarije te begeven om daar de aanvraag in te dienen. Verzoekers wijzen er terecht op dat de gemachtigde in de beslissing zelf erkent dat het verzoekers niet is toegestaan om arbeidsprestaties tegen betaling in België te leveren en dus dat de gemachtigde zelf aanvaardt dat zij zich in een precaire financiële situatie bevinden. De Raad volgt verzoekers dan ook waar zij stellen dat de gemachtigde op dit punt met zichzelf in tegenspraak is aangezien men enerzijds stelt dat geen bewijs voorligt van beperkte financiële middelen, doch anderzijds erkend wordt dat loon uit arbeid voor de verzoekers onmogelijk is. Bijkomend stelt de Raad vast dat bij de aanvraag een stuk 15 was gevoegd, dat volgens de inventaris betrekking heeft op “verklaringen kennissen i.v.m. integratie”. In het administratief dossier zijn lang niet alle volgens de inventaris gevoegde stukken opgenomen, doch wel een stuk “15” waarin ene W.N., van Belgische nationaliteit verklaart dat zij verzoeker elke maand helpt met een bijdrage van 100 euro en hierbij verklaart “Dit is nodig opdat meneer in zijn levensonderhoud kan voorzien.” Ook in de “synthese-nota aangevat dd. 11.12.2018 en nu na vernietiging hernomen dd. 03.07.2019” dat zich in het administratief dossier bevindt staat onder “Bijlagen”, “getuigenissen van 2 Belgen die hem maandelijks financieel steunen met een vast bedrag”. De Raad is dan ook van oordeel dat in casu, gezien het specifiek gevoegde stuk bij de aanvraag en hetgeen hierover uitdrukkelijk in de synthesenota werd opgenomen, inderdaad niet op redelijke wijze is vastgesteld dat geen enkel bewijsstuk voorligt waarmee verzoekers de door hen voorgehouden financiële en materiële onmogelijkheid (minstens grote financiële moeilijkheid) om de aanvraag in Bulgarije in te dienen, hebben willen aantonen. De gemachtigde is bijgevolg niet uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens of heeft minstens niet de zorgvuldigheid gehad met dit stuk gevoegd bij de aanvraag rekening te houden. Ten overvloede en geheel subsidiair stipt de Raad nog aan dat in casu eveneens werd aanvaard dat het verzoekschrift pro deo werd ingediend, hetgeen een vermoeden van onvermogen inhoudt.

 

Verder heeft de gemachtigde nog gewezen op de hulp die kan verondersteld worden te komen van verwanten, vrienden of kennissen in Kosovo. Wat betreft de “vrienden en kennissen” kan de Raad verzoekers volgen dat dit een stereotiep en in casu te algemeen motief is om aan te nemen dat, na een langdurige afwezigheid van respectievelijk 11 en 9 jaar, nu verzoekers blijkens het administratief dossier afzonderlijk naar België zijn gekomen en elkaar hier hebben leren kennen, nog kunnen rekenen op “vrienden en kennissen” om kosten te vergoeden die gepaard gaan met het aanvragen van een visum voor Bulgarije en het ondernemen van de reis met hun hele gezin naar Sofia om daar de aanvraag in te dienen. Echter, wat betreft de familie, heeft de gemachtigde zich niet beperkt tot een algemeen stereotiep standpunt maar wel concreter verwezen naar de respectievelijke verklaringen van verzoekers in hun beschermingsverzoeken. De Raad volgt de gemachtigde dat in principe van dichte familie, ook na lange afwezigheid, wel kan verwacht worden dat zij bereid zijn te helpen, indien nodig. Echter, de gemachtigde erkent zelf dat verzoekster, bij haar verwijzing naar haar vader, broers en zussen in Kosovo, in haar beschermingsprocedure had verklaard geen contact met hen te hebben omdat ze tegen haar wil ging uitgehuwelijkt worden. De Raad leest immers: “mevrouw verklaarde op 29.01.2010 dat zij haar vader, 2 broers en 3 zussen heeft achtergelaten in Kosovo, doch zij had toen op dat moment naar eigen zeggen geen contact met hen omdat zij tegen haar wil om ging uitgehuwelijkt worden.” Doch de gemachtigde vervolgt: “het is niet ondenkbaar dat zij inmiddels telefonisch of via sociale media dit contact heeft hersteld” en indien dit niet zo zou zijn dat zij wel verklaarde nog met een neef in contact te zijn. Verzoekers stellen evenwel dat dit eender welke veronderstelling is, die niet redelijk gestoeld kan zijn op een verklaring van negen jaar geleden. De Raad volgt in casu dat na een zeer lange onderbreking, niet zonder meer nog op redelijke wijze kan verondersteld worden dat “een neef” wel zal instaan voor de nodige kosten van een aanvraag om verblijfsmachtiging van een gezin van vier personen in Bulgarije. En verder blijkt, gezien hetgeen het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in de internationale beschermingsprocedure specifiek heeft vastgesteld, dat de gemachtigde inderdaad louter veronderstelt dat ondanks de problematiek van de uithuwelijking “het niet ondenkbaar is dat zij inmiddels telefonisch of via sociale media dit contact heeft hersteld”. Zo blijkt immers in casu uit de beslissing van het CGVS van 22 oktober 2010, dat zich in het administratief dossier bevindt, dat het CGVS het beschermingsverzoek van verzoekster dat was gestoeld op de problematiek van uithuwelijking weliswaar heeft afgewezen, doch dat hij dit niet gedaan heeft op grond van een gebrek aan geloofwaardigheid. Hij was enerzijds van oordeel dat de problematiek van uithuwelijking niet ressorteert onder het Vluchtelingenverdrag aangezien dit een probleem is van interfamiliale aard en anderzijds heeft hij de subsidiaire bescherming geweigerd omdat verzoekster werd geacht beroep te kunnen doen op de bescherming van de Kosovaarse autoriteiten en omdat zij terecht kan in opvanghuizen na eventuele mishandeling. Het beroep tegen die beslissing werd door de Raad verworpen, maar enkel omwille van de afwezigheid ter zitting. Verzoekers kunnen dan ook in casu gevolgd worden dat het motief dat het niet ondenkbaar is dat verzoekster inmiddels telefonisch of via sociale media het contact met haar familie heeft hersteld, in dit specifiek geval weinig ernstig is en materiële grond ontbreekt. Des te meer en ten overvloede ontbreekt grond om te veronderstellen dat die familieleden zullen bereid zijn het gezin van verzoekers ook nog financieel bij te staan om de aanvraag in Sofia te gaan indienen.