Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
234.604
Kort verblijf – visum type C – eerdere weigering visum door Noorwegen – eerdere weigering leidt niet automatisch tot nieuwe weigering – individueel onderzoek – onzorgvuldig – vernietiging

Zoals reeds vastgesteld in de arresten nrs 218 270 en 228 291 blijkt dat wat betreft de voorgaande weigeringen tot afgifte van een visum kort verblijf vanwege de Noorse ambassade op 9 februari 2017 de initiële weigeringsbeslissing van de Noorse ambassade te New Delhi – waarbij werd vastgesteld dat er onvoldoende resterende banden met het herkomstland zijn – gewijzigd en vervangen werd door de Noorse beroepsinstantie op 5 mei 2017. Laatstgenoemde instantie weigerde weliswaar eveneens de afgifte van visa kort verblijf, doch niet omdat er onvoldoende resterende banden met het herkomstland zijn, maar wel omdat verzoekers veeleer de intentie hadden hun dochter in België te bezoeken eerder dan haar te ontmoeten tijdens een vluchtig bezoek in Noorwegen, zodat de Noorse beroepsinstantie het aangewezen achtte dat zij visumaanvragen zouden indienen bij de Belgische ambassade (“The Directorate of Immigration notes that if the main purpose is not to visit Norway, the visa application should be submitted to the Schengen Member State whose territory constitutes the main destination of the visit in terms of purpose of the stay.” Of “Het “directorate of immigration” merkt op dat, als het hoofddoel er niet in bestaat Noorwegen te bezoeken, de visumaanvragen moeten worden ingediend bij de Schengenlidstaat wiens grondgebied de hoofdbestemming vormt van het bezoek, in het licht van het doel van het verblijf” (eigen vertaling)). Opnieuw blijkt dit uit het stuk 3 dat verzoekers hebben gevoegd bij het verzoekschrift, hetgeen zich opnieuw niet in het administratief dossier bevindt, maar deze informatie bleek ook reeds uit het arrest nr.218 270 van 14 maart 2019 en uit het arrest nr. 228 291 van 30 oktober 2019. Daarnaast bleek dit ook reeds uit stukken die zich in het administratief dossier bevinden en die betrekking hebben op e-mailcommunicatie tussen de Belgische en Noorse ambassade. De Noorse ambassade gaf hierin te kennen dat de reden voor de afwijzing van de visumaanvragen van verzoekers erin bestond dat zij een visum gevraagd hadden om een ver familielid te bezoeken in Noorwegen, maar dat niet kon worden uitgesloten dat het echte doel erin bestond hun dochter die in België bleef te bezoeken. Eveneens blijkt dat de Noorse ambassade te kennen gaf dat de weigering van de aanvragen werd aangevochten en dat het UDI en later ook de beroepsraad weigerden om dezelfde redenen: met name dat niet kon uitgesloten worden dat het doel erin bestond hun dochter te bezoeken, mogelijk in België. Uit de beslissingen van de UDI van 5 mei 2017 blijkt, zoals verzoekers terecht stellen, dat de UDI uitdrukkelijk de beoordeling van de Noorse ambassade afwijst dat er onvoldoende banden tussen verzoekers en hun thuisland zijn aangetoond (The visa application was rejected based on the fact that the Embassy did not consider the applicant to have sufficiently strong ties to his home country to justify the issuing of a visa. The embassy also noted that the applicant had been refused visas by the Belgian authorities in 2015 and 2016, as well as the Finnish authorities twice in 2015, cf. […] article 32 (1) letter b of the Schengen Community Code on Visas (Visa Code). However, this assessment is not correct. We therefore consider the initial decision to be invalid. Of: “De visumaanvraag werd verworpen gebaseerd op het feit dat de ambassade van oordeel was dat de verzoeker onvoldoende hechte banden heeft met zijn herkomstland om de afgifte van een visum te rechtvaardigen. De ambassade merkte ook op dat aan verzoeker reeds visa werden geweigerd door de Belgische autoriteiten in 2015 en 2016, alsook door de Finse autoriteiten tweemaal in 2015, cf. artikel 32 (1) letter b van de Visumcode. Echter, deze beoordeling is niet correct. Daarom beschouwen wij de initiële beslissing als onwettig.” (eigen vertaling))

 

Thans meent de gemachtigde opnieuw in de bestreden beslissingen dat kan verwezen worden naar de Noorse weigering tot afgifte van visa voor verzoekers om het gebrek aan terugkeergarantie te onderbouwen. Nochtans erkent hij nu uitdrukkelijk dat de Noorse autoriteiten “de mening hebben dat betrokkenen niet het werkelijk doel van hun verblijf binnen de Schengenzone hebben opgegeven”. Hij erkent eveneens het feit van “de werkelijk bevoegde Belgische autoriteiten”. Desondanks gebruikt hij tegen verzoekers “men deed ook geen nieuwe aanvragen bij de Noorse autoriteiten, wat bewijst dat het doel daar ook niet werkelijk lag ” om te concluderen “door dit bijkomend feit dat men de Noorse autoriteiten heeft willen misleiden en bijgevolg de werkelijk bevoegde Belgische autoriteiten heeft willen ontwijken sterkt men ons in het feit dat de terugkeergaranties hier minimaal zijn indien een visum wordt goedgekeurd voor België”.

 

Met verzoekers acht de Raad deze redenering inderdaad totaal onbegrijpelijk. Verzoekers hebben zich geheel conform de beslissing van de Noorse autoriteiten gedragen en hun aanvragen ingediend bij de Belgische ambassade om gevolg te geven aan de vaststelling van de Noren dat indien het doel van de visumaanvragen is om de dochter te bezoeken die in België verblijft, het aangewezen is de aanvragen ook bij de Belgische ambassade in te dienen. Verzoekers hebben blijkens de Belgische visumaanvragen in het administratief dossier alle duidelijkheid geboden over het feit dat hun doel een familiaal bezoek is aan hun dochter, schoonzoon en kleinkind die zich in België bevinden. Het is dan ook de logica zelve dat verzoekers niet - tegen de beslissing van de Noorse autoriteiten in - alsnog nieuwe aanvragen bij de Noorse autoriteiten hebben ingediend, hetgeen verzoekers terecht aanstippen. De Raad is van oordeel dat het vervolgens indienen van de visumaanvragen bij de correcte ambassade niet op redelijke wijze tegen verzoekers kan aangewend worden. Verzoekers stellen verder dat zij ook ten aanzien van de Noorse autoriteiten eerlijk zijn tewerk gegaan en wel degelijk hebben gesteld dat, indien hun dochter niet naar Noorwegen kon reizen, zij haar wensten te bezoeken in België en dit wederom blijkt uit de beslissing van de Noorse UDI. In deze beslissing staat inderdaad te lezen “While in Norway, the applicant also intends to meet his daughter and her family who otherwise reside in Belgium. However, the applicant has expressed that if his daughter is unable to travel to Norway, the applicant intends to travel to Belgium, to visit her there.” (of “Terwijl de verzoeker in Noorwegen is, beoogt hij zijn dochter en haar familie te ontmoeten die verblijven in België. Echter, de verzoeker heeft gezegd dat indien zijn dochter niet naar Noorwegen kan reizen, hij de bedoeling heeft naar België te reizen, om haar daar te bezoeken.” eigen vertaling) Hier bestond wederom een aanwijzing voor in de e-mailcommunicatie met de Noorse ambassade, die zich in het administratief dossier bevindt, waaruit blijkt dat verzoekers reeds aan de Noren uitdrukkelijk hadden gezegd dat het eveneens de bedoeling was dat de dochter, die in België verblijft, zou reizen naar Noorwegen. Verzoekers hadden dus klaarblijkelijk aan de Noorse autoriteiten duidelijk uitgelegd dat de bedoeling er ook in bestond de dochter, met verblijf in België, te ontmoeten. Waar de gemachtigde het heeft over het misleiden van de Noorse autoriteiten, moet de Raad vaststellen dat de Noorse UDI enkel op redelijke wijze heeft vastgesteld dat het hoofddoel van verzoekers er niet in bestond om in Noorwegen de schoonbroer van zijn dochter, die was opgegeven als referentiepersoon, te bezoeken; doch wel dat het de bedoeling was zijn dochter te ontmoeten die verblijft in België. Het bedrieglijk oogmerk strookt niet met de duidelijke verklaringen die verzoekers reeds aan de Noorse autoriteiten hebben afgelegd met betrekking tot hun bedoeling om naast de opgegeven referentiepersoon, ook hun dochter te ontmoeten.

 

Ook al kan de Raad de gemachtigde en de Noorse UDI volledig volgen dat de werkelijk bevoegde autoriteiten de Belgische zijn en verzoekers dus bij de Noorse autoriteiten aan het verkeerde adres waren, kan enkel vastgesteld worden dat verzoekers bijgevolg geheel correct de aanvragen bij de Belgische ambassade hebben ingediend, zoals zij ook aanvoeren.

 

Daarnaast moet de Raad ook ten overvloede vaststellen dat dit standpunt indruist tegen een schrijven van de gemachtigde zelf van 16 april 2019, dus voorafgaand aan de bestreden beslissingen, aan de raadsman van verzoekers waarin hij nog stelt: “wij begrijpen uw standpunt ter verdediging van uw cliënten en willen graag aannemen dat uw cliënten ter goeder trouw zijn.” Ook al heeft de gemachtigde in dit schrijven aan de advocaat laten weten dat hij weigerde in te gaan op het verzoek tot het herbekijken van het dossier zoals gevraagd in een schrijven van 20 maart 2019 en 3 april 2019, toch stelt de gemachtigde uitdrukkelijk de goede trouw van verzoekers aan te nemen. Het is dan ook kennelijk onredelijk van de gemachtigde om enkele maanden later alsnog uit het willen misleiden van de Noorse autoriteiten af te leiden dat de terugkeergaranties minimaal zouden zijn indien voor België visa worden goedgekeurd.

 

Opnieuw onderstreept de Raad dat hij reeds in het arrest nrs. 218 270 erop heeft gewezen dat elke visumaanvraag alleszins op zijn merites moet worden beoordeeld, waarbij rekening moet worden gehouden met de elementen die deze aanvraag ondersteunen. Dit blijkt eveneens uit artikel 21, 9 van de Visumcode waarin staat dat een eerdere visumweigering niet automatisch leidt tot weigering van een nieuwe aanvraag en een nieuwe aanvraag wordt beoordeeld op basis van alle beschikbare informatie. De Raad ontkent niet dat de gemachtigde rekening mag houden met het feit dat reeds eerdere visumaanvragen werden geweigerd, maar dit ontslaat de gemachtigde niet van zijn plicht om verder te kijken dan enkel het resultaat van vorige visumaanvragen. Het ontslaat de gemachtigde dus niet van zijn plicht om op een zorgvuldige en redelijke wijze rekening te houden met “alle” beschikbare informatie, nl. ook met de reden waarom die eerdere aanvragen werden geweigerd en - niet in het minst - of verzoekers hieraan hebben geremedieerd bij de huidige aanvragen. De gemachtigde faalt hierin. Dit blijkt des te meer uit het motief in de bestreden beslissingen waar de gemachtigde stelt: “of men daarbij nu stelt dat de aanvragen werden geweigerd bij de Noorse autoriteiten op basis van onderliggende redenen inzake terugkeergaranties of wegens het verklaard feit dat het eigenlijk doel het bezoeken van de dochter was in België, dan merk ik toch op dat beiden negatief zijn.” De reden waarom eerdere visumaanvragen werden geweigerd en of de verzoekers hieraan bij de thans voorliggende aanvragen hebben geremedieerd, is wel degelijk pertinent. De Raad stipt nog aan dat de gemachtigde niet gebonden is door de beslissingen van de Noorse autoriteiten, maar in casu verwijst de gemachtigde zelf naar de weigeringsbeslissingen van de Noorse autoriteiten, zodat van de gemachtigde kan verwacht worden dat hij dit op een zorgvuldige wijze doet en daarbij niet kennelijk onredelijk te werk gaat, quod non in casu.

 

Ook wat betreft eerdere twee weigeringen door de Belgische ambassade van door verzoekers ingediende visumaanvragen, merkte de Raad reeds op dat in de bestreden beslissingen geen concrete verduidelijking wordt gegeven aangaande de grond van deze weigeringen. Dat is thans nog steeds niet het geval in de nieuwe bestreden beslissingen. Het is de Raad dan ook niet duidelijk op welke wijze de eerdere weigeringsbeslissingen van de Belgische ambassade een relevant gegeven vormen bij de beoordeling van het voornemen van verzoekers om het grondgebied voor het verstrijken van het visum te verlaten.

 

Bovendien stelde de Raad reeds in het arrest nr. 228 291 van 30 oktober 2019 “bovendien stelt de Raad vast dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen lijkt te erkennen dat de vorige aanvragen voor een verblijf binnen de Schengenzone gemotiveerd geweigerd werden en dit telkens omdat het onduidelijk was wat het doel van de reis van de verzoekende partijen was.” Des te meer moet de Raad verzoekers dan ook volgen waar zij stellen dat niet duidelijk is waarom de eerdere weigeringsbeslissingen relevant zijn voor het criterium dat het voornemen om het grondgebied voor het verstrijken van de visa te verlaten niet afdoende is aangetoond.

 

Wat betreft de gezinssituatie en familiale banden met het herkomstland bleek supra uit het arrest van het Hof van Justitie reeds dat de gemachtigde ertoe gehouden is een “individueel” onderzoek van de visumaanvraag te verrichten. De Raad moet met verzoekers vaststellen dat de gemachtigde louter heeft gemotiveerd dat het feit dat er nog familieleden zijn in het land van oorsprong “een algemeen basisgegeven [is] zoals aanwezig in bijna alle dossiers”. De Raad volgt verzoekers dat dit een algemene en stereotiepe motivering is, die niet afdoende is in het licht van artikel 3 van de voormelde wet van 29 juli 1991. Het feit dat in vele dossiers nog familiale banden in het herkomstland bestaan, doet in geen geval afbreuk aan de relevantie ervan bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat dat verzoekers voor het verstrijken van de termijn het grondgebied van de lidstaten gaan verlaten. De motieven van de gemachtigde kunnen bezwaarlijk als een “individueel” onderzoek worden aangenomen, zoals vereist door het Hof van Justitie, wel integendeel. Verzoekers stippen geheel terecht aan dat de Raad reeds in zijn arrest nr. 228 291 van 30 oktober 2019 heeft gesteld dat de aanwezigheid van familieleden in het land van herkomst niet irrelevant is in het kader van de beoordeling van het voornemen van verzoekers om het grondgebied van de lidstaat voor het verstrijken van de visa te verlaten. De Raad wijst er bovendien op dat dit des te relevant is in casu omdat het administratief dossier ook concrete gegevens bevat over de schoonzoon die zich in Indië bevindt en die door de gemachtigde niet in concreto zijn onderzocht, terwijl hier nochtans reeds door de Raad in de arresten nrs. 218 270 en  228 291 van respectievelijk 14 maart 2019 en 30 oktober 2019 werd op gewezen: “De Raad herhaalt dat uit de betrokken visumaanvraagformulieren blijkt dat verzoekers bewijsstukken hebben overgemaakt dat hun schoonzoon in India als dokter is tewerkgesteld en dat de verwerende partij over de info beschikt dat dit de echtgenoot is van hun oudste dochter”. De Raad leest in het administratief dossier onder meer:

 

“Applicant has sent us following copies of his son-in-law practicing medicine in India:

1)         Tamil Nadu Medical Council, Chennai certifying that Dr. K.E. is registered as M.D. General Medicine

2)         Bank statement from 01/11/17 – 16/02/2018 of Mr. K.E. amounting to 1354842.73 inr

Hard copies have been attached with the file”

 

Op geen enkele wijze blijkt dat de gemachtigde die relevante gegevens op zorgvuldige wijze in zijn onderzoek heeft betrokken, noch dat zijn motieven dienaangaande afdoende zijn.

 

De Raad moet op grond van het voorgaande vaststellen dat de gemachtigde niet conform de uitlegging die het Hof van Justitie in het arrest Koushkaki heeft gegeven aan artikel 32, lid 1, b van de Visumcode te werk is gegaan om, rekening houdend met zijn ruime appreciatiebevoegdheid, tot de vaststelling te komen dat er in hoofde van de verzoekers redelijke twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de lidstaat voor het verstrijken van de visa te verlaten.

 

De Raad volgt verzoekers dat de gemachtigde (opnieuw) geen zorgvuldige afweging heeft gemaakt van de door hen voorgelegde bewijsstukken en er sprake is van een schending van de zorgvuldigheidsplicht en van de motiveringsplicht in het licht van artikel 32, lid 1, b van de Visumcode. Daarnaast is er eveneens sprake van een manifeste beoordelingsfout wegens kennelijk onredelijk handelen.