Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
231.975
Gezinshereniging – familielid van een Unieburger – art. 40bis Vw. – referentiepersoon heeft domicilie in België, maar hoofdbelangen liggen in Nederland – geen voorwaarde in vreemdelingenwet of richtlijn 2004/38 dat hoofdbelangen in België moeten liggen – vernietiging

In casu wordt in de bestreden beslissingen uitdrukkelijk erkend dat de referentiepersoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft, officieel in België is gedomicilieerd. Dit blijkt ook uit het administratief dossier, met name een “samenstelling gezin” van 19 maart 2019, waarop is aangegeven dat de referentiepersoon sinds 19 februari 2018 op een adres in Wuustwezel woont en de verzoekende partijen sinds 16 maart 2019 op datzelfde adres. Het kan dan ook niet worden betwist dat de referentiepersoon, die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit (in casu Nederland), in het Rijk verblijft en aldus een “burger van de Unie” is overeenkomstig artikel 40, § 2 van de vreemdelingenwet.

 

In de bestreden beslissingen wordt ook niet betwist dat de verzoekende partijen vanuit het buitenland naar België zijn gekomen en op hetzelfde adres als de referentiepersoon zijn gaan wonen.

 

Zoals hoger reeds aangegeven, worden de bloedverwanten in opgaande lijn, die ten laste zijn van de burger van de Unie en die de burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen, overeenkomstig artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4° van de vreemdelingenwet beschouwd als een “familielid van de burger van de Unie”.

 

Uit de bestreden beslissingen kan worden afgeleid dat de gemachtigde oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van het ‘zich bij de burger van de Unie voegen’, en dit omdat volgens de gemachtigde blijkt dat de referentiepersoon niet zijn hoofdbelangen in België heeft.

 

Uit de motivering van de bestreden beslissingen blijkt echter op geen enkele manier op welke grond de gemachtigde heeft geoordeeld dat de verzoekende partijen zich niet bij hun in België wonende Nederlandse zoon zouden kunnen voegen omwille van het feit dat deze burger van de Unie niet zijn hoofdbelangen in België zou hebben. Nergens uit de toepasselijke bepalingen van de vreemdelingenwet, in het bijzonder artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, blijkt dat de burger van de Unie die wordt vervoegd, zijn hoofdbelangen in België moet hebben. Deze voorwaarde blijkt tevens niet uit de hoger aangehaalde bepalingen van de Burgerschapsrichtlijn. Daarnaast blijkt uit de bestreden beslissingen niet dat de gemachtigde zich zou hebben beroepen op andere bepalingen van de vreemdelingenwet of van de Burgerschapsrichtlijn, of op bepaalde rechtspraak van het Hof van Justitie.

 

Op basis van de opgenomen motivering in de bestreden beslissingen kan de Raad dan ook slechts vaststellen dat de gemachtigde geen correcte beoordeling van de feitelijke gegevens van de zaak heeft doorgevoerd. De betrokken motivering laat niet toe te onderbouwen dat de referentiepersoon geen als Unieburger ingezetene van België zou zijn en dat de Burgerschapsrichtlijn, zoals omgezet in artikel 40bis van de vreemdelingenwet, in casu niet van toepassing zou zijn. Bijgevolg blijkt niet dat de gemachtigde zijn vaststelling dat er geen sprake is van een ‘zich bij de Unieburger voegen’ door de verzoekende partijen die bij de Nederlandse referentiepersoon in België zijn komen wonen (zelfs inwonen), kan onderbouwen door te verwijzen naar het feit dat de referentiepersoon zijn hoofdbelangen niet in België zou hebben. Of nog, uit de bestreden beslissingen blijkt niet op grond waarvan de gemachtigde heeft geoordeeld dat de vereiste van het ‘zich bij de burger van de Unie voegen’ in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4° van de vreemdelingenwet de voorwaarde inhoudt dat de Unieburger zijn hoofdbelangen in het gastland heeft.

 

In dit verband kan de Raad samen met de verzoekende partijen nog wijzen op de richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de Burgerschapsrichtlijn. Hierin benadrukt de Europese Commissie, met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie, dat het vrij verkeer van personen een van de grondslagen van de Europese Unie is en dat uitzonderingen op dat beginsel bijgevolg in enge zin moeten worden uitgelegd (p. 3). Zoals de verzoekende partijen ook benadrukken, stelt de Europese Commissie tevens het volgende: “Het Gemeenschapsrecht bevordert de mobiliteit van EU-burgers en beschermt degenen die er gebruik van maken. Er is geen sprake van misbruik wanneer een EU-burger en zijn familieleden conform het Gemeenschapsrecht een verblijfsrecht krijgen in een andere lidstaat dan de lidstaat waarvan de EU-burger de nationaliteit bezit, aangezien zij dan een voordeel genieten dat inherent is aan de uitoefening van het door het Verdrag gewaarborgde recht van vrij verkeer, ongeacht het doel van hun verhuizing naar dat land.” (p. 15)

 

De opgenomen motivering klemt des te meer, aangezien de referentiepersoon niet louter zonder meer gebruik heeft gemaakt van zijn fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten. Het kan immers niet worden betwist dat hij ook daadwerkelijk over een verklaring van inschrijving (E kaart) beschikt. Dit blijkt op zich slechts uit het desbetreffende stuk dat de verzoekende partijen bij hun verzoekschrift voegen, aangezien zich in hun administratief dossier geen stukken bevinden met betrekking tot de verblijfshistoriek van de referentiepersoon. De gemachtigde kan echter niet voorhouden van dit gegeven geen kennis te hebben gehad. De bevoegdheid voor het toekennen van de E kaart ligt overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: het vreemdelingenbesluit) immers ook bij de minister of zijn gemachtigde.