Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
255.350
Gezinshereniging – kind van een Belg – art. 40ter – ten laste – gebruik gemiddeld maandloon geeft vertekend beeld – voorzien in basisbehoeften – bewijs onvermogen – niet redelijk om bewijs aan de kant te schuiven omdat het niet over volledig grondgebied van Rusland handelt – vernietiging

Verweerder is van oordeel dat “moeilijk ernstig aan te nemen [is] dat betrokkene met gemiddeld € 107,63 per maand daadwerkelijk afhankelijk was van de voorgelegde stortingen van de referentiepersoon om in zijn levensonderhoud te voorzien”, rekening houdend met het gemiddeld maandloon in Rusland in 2018 van ongeveer 40.000 roebel, ofwel 438, 25 euro.

 

Verzoeker gaat niet akkoord met deze beoordeling. Hij stelt dat verweerder geen correcte vergelijking maakt “voor een behoeftige persoon die ten laste is van diens Belgische vader”. Hij is van mening dat er dient te worden vergeleken met het minimuminkomen in Rusland, dat in de eerste helft van 2018 9.489 roebel of zo’n 166 dollar bedroeg en in 2017 slechts 7.650 roebel of zo’n 125 dollar. Hij betoogt dat het bedrag dat hij gemiddeld maandelijks ontving van de referentiepersoon in de buurt kwam van het minimuminkomen. Verzoeker is dan ook van mening dat hij met de steun die hij ontving van zijn vader wel degelijk in zijn basisbehoeften kon voorzien en dat verweerder aldus niet correct noch zorgvuldig rekening heeft gehouden met de levensstandaard in het land van herkomst. Hij wijst er verder op dat hij ook nog geld heeft ontvangen via bezoeken van zijn moeder en bij zijn eigen bezoek aan België in januari 2018. Hij vindt het kennelijk onredelijk waar verweerder verwacht dat hij een concreet bewijs zou voorleggen van de overhandiging van deze gelden.

 

De Raad stelt vast dat in het “Algemeen ambtsbericht van 2018”, waarop verweerder zich in de bestreden beslissing steunt en dat zich in het administratief dossier bevindt, een voetnoot staat die luidt als volgt: “Carnegie Moscow Center: Why Russian Judges Don’t Acquit, 13 september 2017, geraadpleegd op 19 juli 2018 (http://carnegie.ru/commentary/73086): In Rusland ligt het gemiddelde maandloon rond de 40.000 roebel. Federale rechter verdienen tussen 150.000 en 170.000 roebel per maand, exclusief o.a. bonussen, gratis huisvesting” (p. 35, voetnoot 163). Hiermee wordt meteen duidelijk wat het probleem is bij het gebruik van het gemiddeld maandloon voor het bepalen van de levensstandaard in een land. Immers worden bij het berekenen van een gemiddelde alle soorten lonen meegerekend, waaronder de extreem hoge lonen. Dit geeft veelal een vertekend beeld, waarbij het gemiddelde aan de hoge kant uitvalt en het merendeel van de inwoners met (veel) minder per maand moet rondkomen. Neem bijvoorbeeld een dorp met mensen met een laag tot gemiddeld inkomen waar een miljardair komt wonen. Het mediaan inkomen is om deze reden meer representatief. Verzoeker kan dan ook worden bijgetreden in zijn standpunt dat het gemiddelde maandloon niet helemaal gepast is als standaard voor het bedrag waarover men in een land bij benadering dient te beschikken om in zijn basisbehoeften te kunnen voorzien. Uit het gemiddeld maandloon kan, zoals verzoeker correct aangeeft, nog niet blijken hoeveel inkomen er precies nodig is om in de basisbehoeften te kunnen voorzien.

 

(…)

 

In zoverre verweerder daarnaast oordeelde dat het bewijs van onvermogen in Rusland niet is geleverd, omdat het voorgelegde attest van de Federale Belastingdienst van 5 oktober 2018 enkel betrekking heeft op de provincie Rostov, maar niet op het gehele grondgebied van het land van herkomst, betoogt verzoeker dat rekening moet worden gehouden met de praktische haalbaarheid van het verkrijgen van documenten. Hij stelt dat uit de voorliggende documenten duidelijk blijkt dat hij afkomstig is uit de provincie Rostov. Concreet wijst hij op zijn geboorteakte en voorgelegde attesten die zijn adres in het land van herkomst vermelden. Hij betoogt in deze provincie, die drie keer zo groot is als België, te zijn geboren en er steeds te hebben verbleven. Hij voert aan dat het niet redelijk is van hem te verwachten dat hij in elke provincie van zijn land een vergelijkbaar attest dat hij er geen eigendommen of inkomsten heeft, zou opvragen. Hij stelt dat er 85 deelgebieden zijn in de Russische Federatie. Hij is van mening dat het volstaat dat, zoals dit in zijn situatie het geval was, de belastingdiensten van het rechtsgebied van de woonplaats in het land van herkomst attesteren dat hij noch inkomsten uit arbeid noch eigendommen heeft die zijn onderworpen aan de belastingen. In de nota met opmerkingen stelt verweerder dat niet blijkt dat verzoeker van de Federale Belastingdienst geen document had kunnen bekomen met het betrekking tot zijn eigendommen op het gehele Russische grondgebied. Hij betoogt dat op basis van het feit dat verzoeker geen eigendommen heeft in de provincie Rostov niet kan worden besloten dat hij nergens in de Russische Federatie eigendommen zou kunnen hebben. Hij stelt dat, rekening houdend ook met de vaststelling in de bestreden beslissing dat geen afdoende bewijs voorligt dat verzoeker in het land van herkomst actief werd ondersteund door de Belgische referentiepersoon, het niet kennelijk onredelijk is om tevens vast te stellen dat het bewijs van onvermogen ontbreekt. Hierdoor wordt, zo betoogt verweerder, het gezag van gewijde van de eerdere vernietigingsarresten van de Raad niet miskend.

 

In zoverre verzoeker stelt dat uit het voorgelegde attest blijkt dat hij in de provincie van het land van herkomst waar hij verbleef voor de komst naar België noch inkomsten uit arbeid noch eigendommen had die waren onderworpen aan de belastingen, wordt hij hierin als dusdanig niet tegengesproken door verweerder. Verweerder betwist ook niet dat verzoeker is geboren in de provincie Rostov en de voorliggende stukken aangeven dat hij er ook nog verbleef voor zijn komst naar België. Het is dus logisch dat verzoeker zich in deze provincie richtte tot het Ministerie van Financiën van de Russische Federatie dan wel dat zijn aanvraag door de afdeling bevoegd voor de provincie Rostov werd behandeld. Er zijn geen aanwijzingen van banden van verzoeker met een andere provincie in het land van herkomst. Er kan in beginsel ook worden aangenomen dat de in het land van herkomst bevoegde belastingdienst zicht heeft op de algemene situatie van de belastingplichtige die zich in zijn rechtsgebied bevindt. De Raad acht het in de voorliggende situatie kennelijk onredelijk waar het voorgelegde bewijs van onvermogen aan de kant wordt geschoven, louter omdat het enkel handelt over het rechtsgebied van de provincie Rostov en niet over het volledige grondgebied van de Russische Federatie. In dit verband kan trouwens andermaal worden gewezen op de door de Raad reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van 16 januari 2014, C-423/12, waaruit volgt dat het vereisen van bijkomende bewijzen van onvermogen niet steeds in redelijkheid kan worden verlangd. De Raad oordeelt dat dit het geval is voor zover van verzoeker in de gegeven omstandigheden zou worden verwacht dat hij voor alle provincies in het land van herkomst het bewijs voorlegt dat hij er geen eigendommen heeft.