Rechtbank van eerste aanleg
Brugge
14/3914/A
Wettelijke samenwoning – negatief advies parket – schijnwettelijke samenwoning – laattijdige weigering – ontvangstbewijs – art. 1476quater BW - termijn 5 maanden – geen definitieve beslissing binnen termijn – onverwijld melding maken in bevolkingsregister – beroep gegrond

Aan eisers werd op 15 mei 2014 een “bericht van ontvangst van overgelegde stukken samenwoonst dossier” overhandigd.

 

Verweerder wordt niet gevolgd daar waar deze stelt dat de verklaring van wettelijke samenwoning door eisers nog niet afgelegd was en de bindende termijnen voor een beslissing of eventueel uitstel derhalve geen aanvang hadden genomen.

 

De rechtbank meent dat het ontvangstbewijs afgeleverd door verweerder op 15 mei 2014 wel degelijk betrekking heeft op de schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd door eisers, en dit om volgende redenen:

 

Het bericht van ontvangst van overgelegde stukken samenwoonst dossier van 15 mei 2014 bevat onderaan de volgende vermelding: “dit bericht van ontvangst dient enkel tot bewijs van afgifte van de documenten met het oog op het doen lopen van de termijn (…)”

 

Door deze eigenhandige vermelding op het ontvangstbewijs erkent verweerder impliciet maar zeker een verklaring in de zin van art. 1476 §1 BW te hebben ontvangen.

 

Bij schrijven van 24 juni 2014 stelt verweerder, nadat hij hiervan op zijn beurt werd geïnformeerd door het parket “dat het onderzoek met drie maanden verlengd wordt, dus tot 15/10/2014”.

 

De ambtenaar burgerlijke stand verwijst middels dit schrijven dus zelf naar de bindende termijnen voor het nemen van een beslissing aangaande de melding van de verklaring wettelijke samenwoning in de bevolkingsregisters.

 

Indien er geen verklaring van wettelijke samenwoning werd ontvangen, zou de bindende termijn niet beginnen lopen zijn, laat staan dat deze uitgesteld diende te worden.

 

Ten slotte veronderstelt het “besluit tot weigering van de aanvraag tot vermelding van de wettelijke samenwoning in de registers” van 16 oktober 2014 en de motivering die hieraan ten grondslag ligt, met name omdat het een schijnwettelijke samenwoning zou betreffen, noodzakelijkerwijze dat eisers een verklaring wettelijke samenwoning hebben afgelegd.

 

In casu heeft verweerder geen definitieve beslissing genomen binnen de voornoemde termijn van 5 maanden vanaf 15 mei 2014, vermits de weigering dateert van 16 oktober 2014, zodat verweerder onverwijld melding diende te maken van de verklaring van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister.