Rechtbank van eerste aanleg
Brugge
23/45/A
Afstamming – biologische vader van het kind – vader erkend vluchteling in Duitsland – moeder en kind erkend vluchteling in België - religieus huwelijk met moeder niet erkend – gewone verblijfsplaats in België – art. 3 WIPR - toepassing Belgisch recht – erkenning vaderschap – wijziging familienaam - gegrond

Overeenkomstig artikel 62 WIPR wordt de vaststelling van de afstammingsband ten opzichte van een persoon beheerst door het recht van de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft bij de geboorte van het kind of, indien de vaststelling het resultaat is van een vrijwillige handeling, bij het verrichten van die handeling.

 

Artikel 3, § 3 WIPR bepaalt dat de verwijzingen in deze wet naar de nationaliteit van een natuurlijke persoon die krachtens de wet of internationale verdragen die België binden de hoedanigheid van staatloze of vluchteling heeft, worden vervangen door een verwijzing naar de gewone verblijfplaats.

 

De rechtbank stelt vast dat X in Duitsland erkend vluchteling van Eritrese herkomst is. De beslissing tot erkenning van vluchteling van de Duitse bevoegde dienst (Bundesamt für Migration und Flüchtlinge) ligt voor. Tevens legt hij een kopie van zijn Duitse verblijfstitel alsook van zijn door de Duitse autoriteiten in toepassing van het Verdrag van 28.07.1951 afgeleverde reispaspoort voor.

 

Ondanks zijn erkenning in Duitsland als vluchteling en ondanks het gegeven dat hij legaal verblijf heeft in Duitsland en niet in België, is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfsplaats van X zich effectief in België situeert. Het begrip gewone verblijfsplaats berust op feitelijke elementen, waarvan de beoordeling aan de rechter wordt voorbehouden. Zo is het mogelijk dat een persoon verblijfsplaats in België heeft zonder er in enig register te zijn ingeschreven. Een concentratie van belangen van de persoon, samen met een zekere verblijfsduur of een intentie tot stabiele vestiging vormen doorslaggevende beoordelingselementen (MvT, Parl.St. Senaat BR 2003, nr. 3-27-1, 28-32). Aangezien de echtgenote en dochter van X alhier in België verblijven, is de rechtbank van oordeel dat X het aannemelijk maakt dat hij eveneens voornamelijk in België verblijft. Zijn gezinssituatie toont immers aan dat het centrum van zijn belangen zich alhier in België situeert en maakt het meer dan waarschijnlijk dat hij de intentie heeft om zijn verblijf alhier te regulariseren.

 

Het Belgische recht is van toepassing.