Er is sprake van een frauduleuze erkenning of schijnerkenning als  “uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van de erkenner, kennelijk enkel gericht is op het voor zichzelf, voor het kind of voor de persoon die zijn voorafgaande toestemming moet geven, bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat verbonden is aan de vaststelling van de afstammingsband.” (artikel 330/1 Burgerlijk Wetboek). Het gaat dus om het vaststellen van een afstammingsband met een kind met als enig doel om een verblijfsrecht te bekomen voor een van de betrokkenen.

Artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek is een voorrangsregel of politiewet (artikel 20 Wetboek IPR). Dat betekent dat deze voorrangsregel telkens toegepast moet worden als de vaststelling van de afstammingsband voor minstens een van de betrokkenen een verblijfsrechtelijk gevolg kan hebben, ook als op basis van artikel 62 Wetboek IPR het vastgestelde toepasselijke recht niet het Belgische recht is.

Waneer is er geen frauduleuze erkenning?

De juridische afstammingsband die ontstaat tengevolge van een erkenning blijft losgekoppeld van de biologische realiteit: er hoeft dus geen biologisch verwantschap zijn om een erkenning te kunnen doen. Niet elke vaststelling van een niet-biologische afstammingsband is dus frauduleus. Enkel als de erkenner de uitsluitende bedoeling heeft om een verblijfsrechtelijk voordeel te bekomen voor hemzelf, het kind of de andere ouder. De wetgever koos daarom voor de term frauduleuze erkenning in plaats van schijnerkenning. Omgekeerd kunnen situaties waarin er wel sprake is van biologisch verwantschap tussen de erkenner en het kind, wel als frauduleus aanzien worden.

Combinatie van factoren

De omzendbrief met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenningen van 21 maart 2018 geeft een overzicht van indicatoren die in combinatie met elkaar kunnen wijzen op een frauduleuze erkenning :

  • de aangever heeft een groot aantal kinderen erkend bij verschillende partners, al dan niet met verblijfsrechtelijke gevolgen
  • de aangever en de moeder hebben elkaar voor de erkenning nooit ontmoet
  • de aangever en de moeder kennen elkaars naam of nationaliteit niet
  • de aangever en de moeder hebben geen affectieve relatie gehad hebben geen gezin gevormd of minstens verbleven op hetzelfde adres
  • de aangever kan onmogelijk de biologische vader van het kind zijn op basis van het attest van zwangerschap
  • de aangever en de moeder weten niet waar de andere werkt
  • verklaringen over de omstandigheden van de ontmoeting of relatie lopen manifest uiteen
  • één van de partijen bevindt zich in een zwakke sociale positie (bijvoorbeeld alleenstaande moeder)
  • de aangever is gehuwd met een andere persoon of leeft samen met een andere persoon dan de andere ouder van het kind
  • een som geld of andere waardevolle goederen worden beloofd voor de erkenning van het kind of om een voorafgaande toestemming in de erkenning te geven
  • er is sprake van een georganiseerd karakter (bijvoorbeeld gebruik van een tussenpersoon)
  • de aangever of de andere ouder heeft al een of meerdere pogingen gedan om een frauduleuze erkenning te laten akteren
  • de aangever of de andere ouder is niet geslaagd in alle wettelijke mogelijkheden om zich in België te vestigen: wanneer één van de partijen zich in een illegale of precaire verblijfstoestand bevindt, eerdere verblijfsaanvragen telkens werden geweigerd, bevelen om het grondgebied te verlaten werden genegeerd, bestaat er een risico dat men via de erkenning van het kind zijn verblijfssituatie wil regulariseren

De ambtenaar van burgerlijke stand kan zich onder meer baseren op:

  • nagetrokken verklaringen of getuigenissen van de partijen zelf of van derden
  • bepaalde geschriften van de partijen zelf of van derden
  • onderzoeken door politiediensten

De omzendbrief wijst op het feit dat het recht op afstamming of vaststellen van een afstammingsband wordt gegarandeerd door artikel 8 van het EVRM, artikel 23 BUPO en artikel 7.1 van het IVRK en dat dit recht niet verbonden is aan de verblijfstoestand van de betrokken partijen. De ambtenaar van de burgerlijke stand mag de opmaak van de akte van aangifte van erkenning of de akte van erkenning kan dus niet weigeren louter omwille van het feit dat een van de partijen geen verblijfsrecht heeft.

 

Extra informatie