Volgens de Verblijfswet kan een Unieburger of zijn familielid opgesloten worden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten (BGV).

Twee maanden

De duur van de vrijheidsberoving is beperkt tot maximum twee maanden. 

Vijf maanden

De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) kan de termijn van twee maanden telkens met een periode van twee maanden verlengen op voorwaarde dat de volgende voorwaarden allemaal vervuld zijn:

  • De minister of DVZ heeft de nodige stappen ondernomen om de Unieburger en/of zijn familielid te repatriëren binnen 7 werkdagen na hun opsluiting
  • De minister of DVZ heeft de nodige stappen om de Unieburger en/of zijn familielid te repatriëren, voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid
  • De effectieve repatriëring van de Unieburger en/of zijn familielid is nog steeds mogelijk binnen een redelijke termijn 

De eerste verlenging van de termijn van de vrijheidsberoving mag bevolen worden door DVZ. Vanaf de tweede verlenging kan de beslissing alleen door de minister genomen worden. De minister dient dan bij de raadkamer een verzoekschrift in om over de wettigheid van de verlenging een uitspraak te bekomen. Als de verlenging onwettig wordt bevonden, moet de Unieburger en/of zijn familielid vrijgelaten worden. 

De vrijheidsberoving mag maximum vijf maanden duren. 

Acht maanden

Als de vrijheidsberoving noodzakelijk is voor de bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid kan de verlengde termijn na vijf maanden nog verder verlengd worden met telkens een maand tot de termijn van acht maanden bereikt is.    

Kritische opmerking

Detentie van Unieburgers en hun familileden houdt een inperking in van het Europees vrij personenverkeer. Volgens de Burgerschapsrichtlijn (artikel 27) moeten dergelijke maatregelen steeds in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. Dat houdt onder meer in dat de opsluiting noodzakelijk moet zijn en niet verder mag gaan dan nodig om zijn doel te bereiken. De vraag stelt zich of een vrijheidsberoving van maximum acht maanden, identiek aan de detentieregeling voor derdelanders, noodzakelijk is gezien het relatieve gemak waarmee een Unieburger geïdentificeerd en gerepatrieerd kan worden naar zijn lidstaat van herkomst. Lidstaten zijn immers, in tegenstelling tot derde landen, ingevolge het Europese loyaliteitsprincipe ertoe gebonden mekaar te helpen. Dat betekent dat zij zullen moeten meewerken aan een gedwongen terugkeer van een eigen onderdaan door een andere lidstaat.