Integratie als voorwaarde voor verlenging en behoud van verblijf

Sommige vreemdelingen die gemachtigd of toegelaten worden tot een verblijf van meer dan drie maanden moeten redelijke integratie-inspanningen leveren. Er zijn wel heel wat uitzonderingen. Als ze dit niet doen, dan kan de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) hun verblijf in sommige gevallen beëindigen. De bereidheid tot integratie moet dus niet op voorhand worden geleverd bij de aanvraag van het verblijf, maar pas achteraf, na het bekomen van de machtiging of toelating tot verblijf.

Deze federale verblijfsvoorwaarde en -sanctie komt bovenop de bestaande Vlaamse, Brusselse en Waalse inburgeringsplicht die al wordt gesanctioneerd met een administratieve geldboete. De verplichte en vrijgestelde doelgroepen van de federale Verblijfswet en van het Vlaamse Decreet integratie- en inburgeringsbeleid komen ook niet overeen. Dit geldt ook voor het Waalse Decreet en de Brusselse Ordonnantie.

Voor wie?

Sommige vreemdelingen die gemachtigd of toegelaten worden tot een verblijf van meer dan drie maanden moeten integratie-inspanningen leveren om dit verblijf te behouden. De voorwaarde geldt niet voor vreemdelingen met een kort verblijf van maximum drie maanden.

De integratievoorwaarde is evenmin van toepassing op volgende vreemdelingen:

  • Personen die internationale bescherming vragen
  • Erkende vluchtelingen, hun echtgenoot, gelijkgestelde partner, wettelijke partner, minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen met een handicap
  • Subsidiair beschermden, hun echtgenoot, gelijkgestelde partner, wettelijke partner, minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen met een handicap
  • Unieburgers die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer, hun echtgenoot, gelijkgestelde partner, wettelijke partner, descendenten en ascendenten
  • Ouders die gezinshereniging doen met hun minderjarig EU-kind
  • De echtgenoot, gelijkgestelde partner, wettelijke partner, descendenten en ascendenten van een Belg die gebruik maakte van het vrij verkeer
  • Erkende staatlozen, hun echtgenoot, gelijkgestelde partner, wettelijke partner, minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen met een handicap
  • Ouders van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling die erkend is als vluchteling of subsidiair beschermde
  • Langdurig ingezetenen die hun status verloren en de herverkrijging vragen
  • Langdurig ingezetenen die een tweede verblijf in België vragen
  • Buitenlandse studenten
  • Slachtoffers van mensenhandel
  • Begunstigden van de associatieovereenkomst EEG-Turkije
  • Begunstigden van het terugtrekkingsakkoord VK-EU

Verder verleent de wet ook een vrijstelling aan bepaalde personen:

  • Minderjarigen. Uit de voorbereidende werken bij de wet blijkt dat DVZ de minderjarigheid moet beoordelen op het moment van de eerste verblijfsaanvraag. En dus niet op het moment van een aanvraag tot verlenging van verblijf, noch op het moment van een beslissing over een (verlenging van een) verblijfsaanvraag.
  • Onbekwaam verklaarden.
  • Ernstig zieken. Volgens ons betekent dit dat vreemdelingen die medisch geregulariseerd zijn op basis van artikel 9ter Verblijfswet géén integratie-inspanningen moeten bewijzen en vrijgesteld zijn.
  • Beschermde personen.

Welke integratie-inspanningen?

Volgens de Verblijfswet kan DVZ de integratie-inspanningen in het bijzonder toetsen aan de hand van de volgende criteria:

  • Het volgen/ gevolgd hebben van een inburgeringscursus
  • Werken als werknemer, zelfstandige of ambtenaar
  • Studeren aan of afgestudeerd zijn van een georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling
  • Volgen van een erkende beroepsopleiding
  • Kennis van de taal van de plaats van inschrijving in het rijksregister. De Verblijfswet vereist geen specifiek taalniveau. Als de vreemdeling vlak voor de verlenging van zijn verblijfskaart verhuist naar een andere taalregio, kan niet worden verwacht dat hij op korte termijn kennis heeft van de taal van de nieuwe plaats van inschrijving. In dat geval mag de vreemdeling bewijzen dat hij kennis heeft van de taal van de vorige plaats van inschrijving. Dat volgt uit de voorbereidende werken bij de wet.
  • Actief deelnemen aan het verenigingsleven
  • Strafrechterlijk verleden. Het GwH vernietigde deze laatste voorwaarde in haar arrest nr. 126/2018 van 4 oktober 2018 (Lees meer 'GwH beoordeelt integratie-inspanningen in kader van verblijf')

De criteria zijn niet cumulatief. Zo zijn de integratie-inspanningen voor DVZ in de praktijk vaak voldoende bewezen via werk of een beroepsopleiding. De criteria zijn ook niet limitatief: de integratie-inspanningen kunnen dus worden bewezen met alle mogelijke bewijsmiddelen. DVZ houdt naar eigen zeggen rekening met de evolutie in het integratieproces. Als een vreemdeling bij zijn eerste aanvraag tot verlenging bijvoorbeeld een inburgeringscontract voorlegt, zal DVZ bij volgende verlengingen kijken hoe het inburgeringstraject is gevorderd.

DVZ beoordeelt elk dossier individueel en kan door de vreemdeling alle nuttige inlichtingen en bewijzen doen voorleggen.

Controle van de integratie-inspanningen: wanneer en hoe?

De controle van de integratie-inspanningen is verschillend bij vreemdelingen met een beperkt en onbeperkt verblijfsrecht.

Alleen vreemdelingen met een beperkt verblijfsrecht (A, H, I of J kaart) moeten bij elke aanvraag tot verlenging van hun verblijf bewijzen voorleggen van hun integratie-inspanningen. DVZ deelt dit op voorhand mee in de brief die de vreemdeling krijgt bij zijn eerste machtiging of toelating tot verblijf en bij elke daaropvolgende verlenging. Bij een eerste machtiging of toelating tot verblijf krijgt de vreemdeling deze brief van de diplomatieke post in het buitenland (als de aanvraag in het buitenland ingediend werd) of van de gemeente van de verblijfplaats (als de aanvraag in België ingediend werd). Bij verlengingen krijgt de vreemdeling de brief van de gemeente.

Opgelet! DVZ maakt gebruik van standaardbrieven waardoor vreemdelingen, voor wie géén integratievoorwaarde geldt, soms toch de boodschap krijgen dat ze bewijzen van redelijke integratie-inspanningen moeten voorleggen om een verlenging te bekomen van hun verblijf. Kijk daarom altijd goed na of er voor jouw specifiek verblijfsstatuut een integratievoorwaarde geldt.

Vreemdelingen met een onbeperkt verblijfsrecht ((B, C, D, F, F+, K, L, M) moeten hun verblijf niet jaarlijks verlengen en moeten daarom niet systematisch of op eigen initiatief bewijzen van integratie-inspanningen voorleggen. Wel kan DVZ op elk moment in een individueel dossier de betrokken vreemdeling vragen om alle nuttige inlichtingen en bewijzen over de geleverde integratie-inspanningen over te maken. Dit gebeurt doorgaans alleen wanneer er ook andere indicaties zijn dat het verblijfsrecht beëindigd kan worden, bijvoorbeeld bij problemen van openbare orde. DVZ zal dan in het kader van het hoorrecht een brief versturen naar de betrokkene, waarin onder meer gevraagd wordt naar de geleverde integratie-inspanningen. De vreemdeling moet dan binnen de voorziene termijn bewijzen van integratie overmaken.

Einde verblijf bij gebrek aan redelijke integratie-inspanningen

DVZ kan gedurende vier jaar een einde maken aan het verblijfsrecht omdat er geen redelijke integratie-inspanningen bewezen zijn. De termijn van vier jaar begint te lopen na het verstrijken van één jaar vanaf de machtiging of toelating tot verblijf. De machtiging of toelating tot verblijf valt meestal samen met de afgifte van de eerste elektronische verblijfskaart.

Opgelet! Bij sommige verblijfsprocedures is de toelating tot verblijf retroactief op de datum van de aanvraag van het verblijf. Dat is het geval bij aanvragen gezinshereniging met een Belg of Unieburger en bij verzoeken om internationale bescherming. In die procedures begint de termijn van vier jaar dus te lopen na het verstrijken van één jaar vanaf de aanvraag gezinshereniging of het verzoek om internationale bescherming.

De termijn van vier jaar waarbinnen DVZ het verblijfsrecht eventueel kan beëindigen bij gebrek aan  redelijke integratie-inspanningen is éénmalig: er begint dus geen nieuwe termijn van vier jaar te lopen telkens wanneer de vreemdeling verandert van verblijfsstatuut of bij een overgang van beperkt naar onbeperkt verblijfsrecht (al dan niet binnen dezelfde verblijfsprocedure). Dat bevestigde DVZ aan het AgII.

DVZ kan je verblijfsrecht (gedurende vier jaar) alleen beëindigen bij gebrek aan redelijke integratie-inspanningen als er ook een andere grond bestaat om je verblijf te beëindigen. Bijvoorbeeld omdat je niet langer voldoet aan één van je verblijfsvoorwaarden of omdat je een gevaar vormt voor de openbare orde. Dat volgt uit het gebruik van het woord “ook” in artikel ½ §3 Verblijfswet en uit de voorbereidende werken bij de wet.

Ook moet DVZ eerst een verplichte evenredigheidstoets uitvoeren. Hierbij moet DVZ rekening houden met:

  • de aard en de hechtheid van de familiebanden van betrokkene
  • de duur van zijn verblijf in het Rijk
  • het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met zijn land van herkomst

Vlaamse inburgeringsplicht en -vrijstelling blijft gelden maar de doelgroepen verschillen

De federale integratieverplichting met verblijfssanctie komt bovenop de bestaande Vlaamse inburgeringsplicht die al gesanctioneerd wordt met een administratieve geldboete.

Maar de verplichte en vrijgestelde doelgroepen van de federale Verblijfswet en van het Vlaamse Decreet integratie- en inburgeringsbeleid komen niet overeen.

Dat betekent bijvoorbeeld:

  • In Vlaanderen zijn erkende vluchtelingen, staatlozen, subsidiair beschermden en hun familieleden, slachtoffers van mensenhandel en sommige begunstigden van de Turkse associatieovereenkomst en sommige langdurig ingezetenen wél verplicht tot inburgering, op straffe van een administratieve geldboete. Deze Vlaamse plicht en sanctie blijft bestaan, maar er komt geen federale verblijfssanctie bovenop.
  • De Vlaamse inburgeringsplicht geldt niet voor arbeidsmigranten en hun familieleden, terwijl zij nu wel (behalve Turken) een federale integratieplicht krijgen. Niet-Turkse arbeidsmigranten zullen dus wel integratie-inspanningen moeten aantonen om hun verblijfsrecht te behouden. Arbeidsmigranten die aan het werk zijn bewijzen in principe op die manier wel hun integratie-inspanningen. In ieder geval zijn ze in Vlaanderen geen verplichte, maar rechthebbende inburgeraar, en zijn er voor hen dus geen sancties of boetes op basis van de Vlaamse regelgeving met betrekking tot inburgering.
  • Sommige verplichte Vlaamse inburgeraars worden nu ook federaal verplicht om integratie-inspanningen te leveren. Bijvoorbeeld gezinsmigranten met een Belg (die geen gebruik maakt van vrij personenverkeer binnen de EU) of met een derdelander (die geen internationale bescherming heeft en geen Turk is), of ook humanitair geregulariseerden (behalve staatlozen en ernstig zieken). Als zij geen inburgering volgen, riskeren ze niet alleen een of meerdere oplopende administratieve geldboetes (de Vlaamse sanctie), maar riskeren ze ook dat hun verblijfsstatuut beëindigd wordt (de federale sanctie).

In Brussel en Wallonië gelden nog andere regels

Ook in (Nederlandstalig én Franstalig) Brussel en in Wallonië is er nu al een inburgeringsaanbod, opnieuw voor verschillende doelgroepen. De verschillende bevoegde regeringen willen dat ook verplicht maken en sanctioneren. In Brussel is er voor nieuwkomers een verplichting tot inburgering op basis van de Ordonnantie van 11 mei 2017, die gesanctioneerd wordt met een administratieve geldboete. Ook hier komen de federale regels bovenop de regionale regels.