30 april 2019

Een kind geplaatst bij een Unieburger onder een stelsel van wettelijke voogdij, zoals de Algerijnse kafala, is géén rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn van de Unieburger, maar wel een ‘ander familielid’. Lidstaten moeten de binnenkomst en het verblijf van dit kind dan ook  ‘vergemakkelijken’. Als na een individuele beoordeling blijkt dat het kind en de EU-voogd daadwerkelijk een gezinsleven zullen leiden en het kind afhankelijk is van zijn voogd, heeft het kind bovendien een recht op binnenkomst en verblijf als ander familielid van de Unieburger. Dat zegt het Hof van Justitie (HvJ) in een arrest van 26 maart 2019 (nr. C-129/18).

Rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn

Omdat het begrip ‘rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn’ in artikel 2, punt 2, sub c) richtlijn 2004/38/EG (Burgerschapsrichtlijn) geen enkele verwijzing bevat naar het recht van de lidstaten, stelt het HvJ vast dat het gaat om een autonoom begrip van het Unierecht dat binnen heel de Europese Unie uniform uitgelegd moet worden. De Burgerschapsrichtlijn zelf geeft geen definitie van het begrip. Uit vaste rechtspraak volgt dat dan gekeken moet worden naar de bewoordingen van het begrip, naar de context ervan en naar de doelstellingen van de richtlijn. Volgens het HvJ verwijst het begrip ‘rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn’ gewoonlijk naar een rechtstreekse afstammingsrelatie die twee personen met elkaar verbindt. Volgende afstammingsrelaties komen in aanmerking volgens het HvJ:

  • biologische kinderen;
  • kinderen wiens afstammingsband juridisch vaststaat, zoals een kind geboren binnen een huwelijk of een erkend of geadopteerd kind. De Burgerschapsrichtlijn moet ruim worden uitgelegd, aldus het HvJ. De ‘juridische’ ouder staat vermeld op de geboorteakte van het kind. Het is niet noodzakelijk de biologische ouder. Hierbij neemt het HvJ in overweging dat het vergemakkelijken van de uitoefening van het vrij personenverkeer het doel van de Burgerschapsrichtlijn is.

Hieruit volgt dat het begrip ‘rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn’ zowel het biologische als het geadopteerde kind van de Unieburger omvat. In de Belgische praktijk werd tot nu toe aangenomen dat alleen juridische kinderen een recht op gezinshereniging hebben. Uit het arrest van het HvJ blijkt echter dat een Unieburger, die in België verblijft in het kader van het vrij personenverkeer, zich ook kan laten vervoegen door zijn biologisch kind of het biologisch kind van zijn echtgenoot/partner. Zelfs als het vaderschap nooit juridisch vastgesteld werd. Het is op dit moment niet duidelijk of Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) zijn beleid zal aanpassen. Van zodra we nieuws hebben zullen we hierover berichten.

De ruime uitlegging van het begrip ‘rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn’ gaat echter niet zo ver dat ook een kind onder wettelijke voogdij van een Unieburger daaronder valt, zoals de Europese Commissie bepleit in zijn Mededeling COM(2009)313.

Een wettelijke voogdij, zoals de Algerijnse kafala, creëert immers geen juridische afstammingsrelatie tussen het kind en de voogd.

'Ander familielid’ van Unieburger

Een kind dat via de Algerijnse kafala onder wettelijke voogdij is bij een Unieburger, valt volgens het HvJ onder het begrip ‘ander familielid’ van een Unieburger, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, sub a) Burgerschapsrichtlijn. Volgens die bepaling vergemakkelijken lidstaten de binnenkomst en het verblijf van "andere familieleden [...], die in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij de burger van de Unie die het verblijfsrecht in eerste instantie geniet". Een kind onder wettelijke voogdij, zoals de Algerijnse kafala, kan hieronder vallen omdat de Unieburger in een dergelijke situatie zorg draagt voor het onderhoud, opvoeding en bescherming van het kind. De Unieburger heeft hiertoe een verbintenis aangegaan op basis van het recht van het herkomstland van het kind.

Met verwijzing naar zijn oude rechtspraak in het Rahman-arrest herhaalt het HvJ dat het doel van artikel 3, lid 2, sub a) Burgerschapsrichtlijn erin bestaat om "de eenheid van het gezin in een verruimde betekenis te handhaven" door de binnenkomst en het verblijf te vergemakkelijken van personen die niet onder de klassieke definitie van een familielid van een Unieburger vallen in de zin van artikel 2 Burgerschapsrichtlijn, maar die niettemin nauwe en duurzame familiebanden met een Unieburger hebben wegens bijzondere feitelijke omstandigheden, zoals financiële afhankelijkheid, het behoren tot het huishouden of ernstige gezondheidsredenen (HvJ 5 september 2012, Rahman, C‑83/11). Volgens vaste rechtspraak zijn lidstaten verplicht om ‘andere familieleden’ een beslissing te geven over hun aanvraag die gebaseerd is op een nauwkeurig onderzoek van hun persoonlijke situatie, rekening houdend met alle relevante elementen. In geval van weigering moet de beslissing gemotiveerd zijn.

Belangenafweging en recht op gezinsleven

Hoewel lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid hebben bij de behandeling van een aanvraag van een ‘ander familielid’, moet deze bevoegdheid uitgeoefend worden met inachtneming van het Handvest van de Grondrechten. Artikel 7 Handvest erkent het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Uit de toelichting bij het Handvest blijkt dat de door artikel 7 Handvest beschermde rechten dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als de rechten gewaarborgd door artikel 8 EVRM. Volgens de rechtspraak van het EHRM kunnen de feitelijke betrekkingen die een kind, geplaatst onder een kafala-stelsel, onderhoudt met zijn voogd onder het begrip ‘familie- en gezinsleven’ in de zin van artikel 8 EVRM vallen, en dit naargelang de tijd dat ze samen geleefd hebben, de kwaliteit van hun betrekkingen en de rol die de volwassene opnam jegens het kind. Bovendien moet artikel 7 Handvest samen gelezen worden met artikel 24, lid 2 Handvest (hoger belang van het kind). Daaruit volgt dat lidstaten bij het vervullen van hun plicht om de binnenkomst en het verblijf van ‘andere familie’ te vergemakkelijken, een evenwichtige en redelijke beoordeling moeten maken van alle actuele en relevante omstandigheden van het individuele geval. Daarbij moeten zij rekening houden met alle belangen in het geding en in het bijzonder het belang van het betrokken kind.

Bij die beoordeling moeten lidstaten met name rekening houden met:

  • De leeftijd waarop het kind onder het kafala-stelsel geplaatst is;
  • De vraag of er sprake is van samenwoonst tussen het kind en zijn voogden sinds zijn plaatsing onder het kafala-stelsel;
  • De mate waarin er affectieve banden ontstaan zijn tussen het kind en zijn voogden;
  • De mate van afhankelijkheid van het kind ten aanzien van zijn voogden, voor zover zij het ouderlijk gezag op zich genomen hebben en het kind wettelijk en financieel te hunnen laste is;
  • Concrete en geïndividualiseerde risico’s dat het betrokken kind slachtoffer is/wordt van mishandeling, uitbuiting of kinderhandel. Dergelijke risico’s kunnen volgens het Hof echter niet vermoed worden te bestaan alleen op basis van het feit dat de procedure voor plaatsing onder het kafala-stelsel gebaseerd is op een beoordeling van de geschiktheid van de volwassene en het belang van het kind, die minder grondig zou zijn dan een adoptieprocedure of procedure voor plaatsing van kinderen in de gastlidstaat. Dergelijk risico kan evenmin vermoed worden aanwezig te zijn alleen op basis van het feit dat het Verdrag van Den Haag van 1996 (inzake de bevoegdheid, toepasselijk recht, erkenning, ten uitvoerlegging en samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen) niet geratificeerd is door het betrokken herkomstland van het kind.

Recht op binnenkomst en verblijf

Artikel 7 en 24 Handvest Grondrechten vereist in principe dat de lidstaten een recht op binnenkomst en verblijf verlenen aan het kind als ‘ander familielid’ van de Unieburgers wanneer:

  • na een beoordeling van alle hierboven vermelde punten
  • blijkt dat het kind, geplaatst onder het kafala-stelsel, en zijn EU-voogden daadwerkelijk een gezinsleven zullen leiden en
  • het kind afhankelijk is van zijn voogden.

Dit moet het kind in staat stellen om samen met zijn voogden in de gastlidstaat (van de voogden) te leven. Deze conclusie geldt volgens het HvJ des te meer wanneer de voogden door de weigering om het geplaatste kind een recht van binnenkomst en verblijf in de gastlidstaat van zijn voogden te verlenen, feitelijk belet worden om samen te leven in die lidstaat omdat één van hen gedwongen wordt om met het kind in het herkomstland van het kind te blijven om daar voor hem te zorgen.