6 november 2017

6 november 2017 en geactualiseerd op 28 augustus 2018

In zijn arrest nr. 239.259 van 28 september 2017 oordeelt de Franstalige Raad van State (RvS) dat de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) moet toetsen:

  • niet alleen bij het uitvoeren van een uitwijzingsmaatregel
  • maar óók op het moment van het nemen van een uitwijzingsbevel. 

Artikel 3 EVRM houdt een absoluut verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of straf in.

Met dit arrest wijkt de RvS af van zijn eerdere rechtspraak waarin hij stelde dat een mogelijke schending van artikel 3 EVRM alleen onderzocht moet worden bij een maatregel tot gedwongen uitwijzing (repatriëring).

In arrest nr. 241.623 van 29 mei 2018 volgt de Nederlandstalige Raad van State dit standpunt. De eenheid in rechtspraak verplicht DVZ nu zijn praktijk en de motivering van de uitwijzingsbevelen aan te passen. Een uitwijzingsbevel waarin gesteld wordt dat een mogelijke schending van artikel 3 en 8 EVRM grondig geëvalueerd zal worden wanneer betrokkene in detentie is geplaatst, is onwettig.  

Feiten en procedurele voorgaanden

Na een eerder afgewezen asielaanvraag als begeleide minderjarige diende een Kosovaarse vrouw een tweede asielaanvraag in. Haar aanvraag werd opnieuw verworpen en er werd haar een eerste bevel om het grondgebied te verlaten (BGV) afgeleverd. De vrouw ging in beroep.  

Na de onontvankelijkverklaring van haar 9bis-aanvraag kreeg ze een tweede BGV. Ook tegen deze beslissingen tekende ze beroep aan.

Na de verwerping van beide beroepen kreeg ze:

  • een BGV zonder termijn voor vrijwillig vertrek met beslissing tot vasthouding met het oog op repatriëring en
  • een inreisverbod  

De vrouw stelde een beroep bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) tegen deze beslissingen. De RvV (nr. 172828 van 4 augustus 2016):

  • schorste het BGV met beslissing tot vasthouding
  • maar verwierp de vordering tot schorsing van het inreisverbod wegens afwezigheid van een dreigend gevaar.      

Ze diende ook een schorsings- en annulatieberoep in tegen het uitwijzingsbevel met beslissing tot vasthouding en het inreisverbod. De RvV (nr. 177252 van 31 oktober 2016) verwierp het beroep:

  • Verwijzend naar arrest nr. 89/2015 van het Grondwettelijk Hof (GwH) kan er volgens de RvV enkel sprake zijn van een mogelijke schending van artikel 3 EVRM in geval van een (gedwongen) uitvoering van een uitwijzingsbevel.

Tegen dit RvV-arrest ging de vrouw in beroep bij de RvS.

Analyse RvS nr. 239.259

Volgens de RvS miskent RvV-arrest nr. 177.252 onder meer artikel 3 EVRM door te stellen dat DVZ bij het nemen van het uitwijzingsbevel niet moet toezien op een eventuele schending van artikel 3 EVRM.

De RvS oordeelde in arrest nr. 239.259 dat DVZ:

  • een mogelijke schending van artikel 3 EVRM moet toetsen op het moment dat hij een uitwijzingsbevel neemt.
  • geen BGV mag nemen als de uitvoering van het bevel in strijd is met artikel 3 EVRM.
  • niet kan volstaan met een toetsing van artikel 3 EVRM op het moment dat hij dwangmaatregelen neemt met oog op repatriëring.

Daarnaast stelt de RvS een schending van de motiveringsplicht door de RvV vast:

  • omdat de RvV in zijn arrest niet is ingegaan op een vermeende schending van het hoorrecht.

De RvS casseerde bijgevolg RvV-arrest nr. 177252 van 31 oktober 2016 en maakte het dossier opnieuw over aan de RvV.