Arbeidsrechtbank
Gent
13/304/A
NBMV – subsidiaire bescherming – wettig verblijf – maatschappelijk dienstverlening – geen voorwaarde van meerderjarigheid – residuair karakter OCMW-steun – residentiële opvang – Comité voor Bijzondere Jeugdzorg – NMBV niet per definitie in problematische opvoedingssituatie – maatschappelijke dienstverlening – financiële steun – meest passende vorm van steun - gegrond

Eisende partij, wiens verblijf ten gevolge van de toekenning van de status van subsidiaire bescherming bescherming Iegaal is, kan in principe aanspraak maken op maatschappelijke dienstverlening. In een recent arrest dd. 2 september 2013 stelde het arbeidshof Gent (AR 2013/AG/75, onuitg.) dat elk kind dat legaal in verblijft en niet in staat is menswaardig te leven, recht heeft op maatschappelijke dienstverlening, hetgeen ook door andere arbeidsgerechten wordt bevestigd. In tegenstelling tot de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, waarin het recht op een leefloon onderworpen wordt aan het bereiken van de meerderjarigheid (op enkele uitzonderingen na), vindt men een dergelijke leeftijdsvoorwaarde niet terug in de OCMW-wet. 

Hoewel de rechtbank principieel de stelling kan onderschrijven dat men uit de OCMW-wet kan afleiden dat de hulpverlening van het OCMW een residuair karakter heeft, beroept verwerende partij zich in deze zaak ten onrechte hierop om aan eisende partij het recht op maatschappelijke dienstverlening te ontzeggen. Het residuair karakter van de hulpverleningsopdracht van verwerende partij vormt geen afdoende juridische grondslag voor het argument van verwerende partij dat eisende partij zich dient te wenden tot de opvangstructuren van de bijzondere jeugdbijstand, gezien hij, naar het oordeel van verwerende partij, zich als niet-begeleide minderjarige vreemdeling per definitie bevindt in een problematische opvoedingssituatie en dat zulks in casu ook het geval was in de periode tussen 9 november 2012 en 2 juli 2013.

 

De motivering in de bestreden beslissing, met name dat eisende partij "de mogelijk had tot residentiele opvang via het Comité Bijzondere Jeugdzorg alwaar u een menswaardig bestaan gewaarborgd wordt. U en uw voogd hebben hieraan vrijwillig verzaakt" kan, gelet op het voorgaande, derhalve niet in feite en evenmin in rechte worden bijgetreden. Uit het dossier blijkt immers dat de initiële mogelijkheid die eisende partij had om residentieel opgevangen te worden, eind oktober 2012 beëindigd werd, via een beslissing van de daartoe bevoegde instantie (het CBJ, weliswaar in samenspraak met eisende partij en zijn voogd, zoals ook voorzien wordt door artikel 10 e.v. van het decreet van 7 maart 2008).

Hieruit kan niet worden afgeleid dat aan deze opvangmogelijkheid vrijwillig werd verzaakt. Eens de voorwaarden voor opvang binnen de structuren van de bijzondere jeugdbijstand opnieuw vervuld waren in hoofde van eisende partij - toen hij zich eind juni 2013 klaarblijkelijk opnieuw in een problematische opvoedingssituatie bevond - is het dossier door de ter zake bevoegde beoordelingsinstantie (het CBJ) opnieuw doorverwezen naar de structuren van de bijzondere jeugdzorg, zonder dat eisende partij en/of zijn voogd zich hiertegen verzet zouden hebben of hieraan verzaakt hebben.

Gelet op het voorgaande meent de rechtbank dan ook dat het argument van verwerende partij dat maatschappelijke dienstverlening in casu ontzegd kan worden omdat eisende partij verzaakt hooft aan de mogelijkheid tot residentiele opvang via het CBJ, de bestreden beslissing niet in feite en evenmin in rechte kan verantwoorden.

 

Het OCMW dient, overeenkomstig artikel 60 § 3 van de OCMW-wet, materiele hulp in de meest passende vorm te verstrekken. De rechtbank stelt vast dat verwerende partij weliswaar van oordeel is dat maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële hulp niet de meest passende vorm van hulpverlening is, maar tot dusver nagelaten heeft om binnen haar ruime autonomie ter zake enig ander concreet alternatief aanbod in het dossier van eisende partij uit te werken.

Mede gelet op het feit dat eisende partij in de periode tussen 9 november 2012 en 2 juli 2013 begeleiding ontving van Lisanga, is de rechtbank van oordeel dat de toekenning van maatschappelijke dienstverlening in de vorm van financiële steun in casu te aanzien is als de meest passende vorm van hulpverlening, weliswaar rekening houdend met de inkomsten die hij heeft verworven in de uitvoering van zijn stagecontract.