Europees Hof voor de Rechten van de Mens
8351/17
(Romeo Castaño t. België) Europees aanhoudingsbevel – Weigering van de tenuitvoerlegging in Spanje door Belgische rechtbanken – te snelle conclusie bestaand risico op schending art. 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke of vernederende behandeling) – Moordverdachte – Slachtofferrechten op daadwerkelijk onderzoek – schending art. 2 EVRM (recht op leven, procedureel vlak) – positieve verplichting tot internationale samenwerking

In deze zaak oordeelt het EHRM dat de weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (hierna EAB) van een Spaanse moordverdachte (ex-ETA lid) door de Belgische rechtbanken, artikel 2 EVRM schendt. De verzoekers krijgen elk 5.000 euro schadevergoeding voor het leed en de frustratie veroorzaakt door de straffeloosheid van de vermoedelijke dader van de moord op hun vader.

 

Feiten: België weigert de tenuitvoerlegging van het Spaanse Europees aanhoudingsbevel wegens risico’s voor schending artikel 3 EVRM

 

De vijf verzoekers in deze zaak zijn de dochters en zonen van de Spaanse luitenant-kolonel Romeo Castaño, doodgeschoten in 1981 door een commando van de ETA. N.J.E, die intussen in België verblijft, wordt verdacht van deelname aan de moord. Na twee Europese aanhoudingsbevelen voor moord en lidmaatschap aan een terroristische organisatie, werd N.J.E. begin oktober 2013 in België aangehouden. Via twee opeenvolgende procedures weigeren de Belgische gerechtelijke autoriteiten de tenuitvoerlegging van het EAB. Op 31 oktober 2013 weigert de kamer van inbeschuldigingstelling (hierna KI) van Gent voor de eerste keer de tenuitvoerlegging van het EAB en laat N.J.E. vrij. De KI berust zich op het feit dat N.J.E., na haar engagement in de Baskische beweging, intussen een werkende vrouw van 55 jaar geworden is die een normaal leven in Gent leidt. De KI oordeelt ook dat er ernstige redenen bestaan om mensenrechtenschendingen te vrezen bij de tenuitvoerlegging van het EAB. Uit een rapport van het CPT van 2011 blijkt dat terrorismeverdachten in Spanje detentie riskeren die kan gepaard gaan met foltering en zeer beperkte contacten met een advocaat, gezin en bijstand. De KI verklaart ook dat de Belgische rechtbanken territoriaal onbevoegd zijn om N.J.E. zelf te berechten. Nadat het cassatieberoep tegen dat arrest verworpen is wordt in mei 2015 een nieuwe EAB door een Spaanse onderzoeksrechter uitgevaardigd. Dat nieuw bevel verwijst naar recentere rapporten van het CPT van 2012 en 2014 die geen vermelding van foltering meer bevatten. De Spaanse rechter wijst er ook op dat incommunicado detentie enkel bij uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden kan gebeuren. Op 20 juni 2016 is N.J.E. opnieuw aangehouden en op dezelfde dag vrijgelaten. De KI van Gent beoordeelt in juli 2016 dat er geen redenen bestaan om anders te beslissen dan in het arrest van 31 oktober 2013. Op basis van een rapport van het Mensenrechtencomité van de VN verwijst de KI naar het risico op incommunicado detentie in Spanje. Het arrest wordt niet vernietigd door het Hof van Cassatie.

 

Voor het EHRM beweren de verzoekers dat de weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB het procedurele vlak van artikel 2 (dat het recht op leven waarborgt) van het EVRM schendt.

 

België is wel verdragsrechtelijk verantwoordelijk voor de grondrechten van de Spaanse verzoekers

 

De Belgische regering betwist dat België verantwoordelijk is om de grondrechten van de Spaanse verzoekers te waarborgen. Volgens België valt de huidige situatie niet onder zijn territoriale bevoegdheid op basis van artikel 1 EVRM. Enkel Spanje, waar de moord is gebeurd, wordt belast met de positieve verplichting (voortvloeiend uit artikel 2 EVRM) om een daadwerkelijk onderzoek te voeren en de daders te bestraffen. Zonder deze stelling in vraag te stellen, oordeelt het EHRM dat een bevoegdheidsband wel bestaat tussen de verzoekers en de Belgische staat, rekening houdend met de eigen omstandigheden van de zaak. Die omstandigheden, het bestaan van strafrechtelijke samenwerkingsakkoorden tussen België en Spanje in het kader van het EAB, laat het EHRM toe om af te wijken van een pure territoriale aanpak van de bevoegdheidsregel bevat in artikel 1 EVRM (zoals in de zaken Rantsev t. Cyprus en Rusland, nr 25965/04 en Güzelyurtulu en anderen t. Cyprus en Turkije nr 36925/07, 29 januari 2019).

 

Schending van artikel 2 EVRM door het gebrek aan voldoende samenwerking met de Spaanse autoriteiten in de EAB procedure

 

Ten gronde pleit België dat de situatie bijzonder delicaat is, wat ook de beslissing van de Belgische rechtbanken was geweest. Bij een tenuitvoerlegging van het EAB riskeerde België een veroordeling op basis van artikel 3 EVRM (dat foltering en onmenselijke en vernederende behandeling verbiedt), en bij weigering riskeert België nu een veroordeling op basis van artikel 2 EVRM. Voor het eerst moet het EHRM zich buigen over het spanningsveld tussen die twee belangrijke verdragsbepalingen. Volgens de Belgische staat lijkt het logisch dat de rechtbanken artikel 3 EVRM, dat een absoluut verbod bevat, laat primeren op de samenwerkingsplicht dat uit de procedurele verplichtingen van artikel 2 EVRM vloeit.

 

Het EHRM volgt die redenering niet. Het EHRM herhaalt dat de samenwerkingsverplichting met een andere staat, voortvloeiend uit artikel 2 EVRM, een middelen- en geen resultaatverbintenis is. Het blijft zo dat de staten in het kader van een EAB procedure het EU-principe van wederzijdse erkenning niet op een automatische manier ten koste van de grondrechten mogen toepassen (§84). Het EHRM stelt vast dat het risico op schending van artikel 3 EVRM gebonden aan de detentieomstandigheden in Spanje een legitieme reden kan zijn om de tenuitvoerlegging van het EAB te weigeren. Maar daarvoor moet dat risico op voldoende feitelijke elementen berusten. In casu oordeelt het EHRM dat dit niet het geval was: de KI heeft in 2016 geen geactualiseerd onderzoek gevoerd naar de detentieomstandigheden in Spanje in het licht van de nieuwe informatie in het EAB van 2015, met name het feit dat de recentere rapporten van het CPT stilzwijgend zijn over foltering. De bewering van de Spaanse autoriteiten dat de incommunicado detentie niet van toepassing is in het geval van N.J.E. werd niet besproken voor de KI. Het EHRM merkt ook op dat de Belgische autoriteiten geen bijkomende informatie aan de Spaanse overheid over de detentieomstandigheden hebben gevraagd zoals voorzien door de EAB-wet. Het EHRM is dus van oordeel dat het onderzoek van de Belgische rechtbanken niet volledig was om een reëel en concreet risico van schending van het EVRM na te gaan bij de overlevering van N.J.E. aan Spanje. De samenwerkingsverplichting is dus niet nageleefd en daarom is het procedurele aspect van artikel 2 EVRM geschonden.

 

Het EHRM voegt toe dat deze schending niet tot gevolg heeft dat België N.J.E. aan de Spaanse autoriteiten moet overleveren. De schending van artikel 2 EVRM komt van de onvoldoende feitelijke elementen die aan de basis van de betwiste weigering lagen. Dit stelt België – en alle andere verdragspartijen – niet vrij om het risico van schending van artikel 3 EVRM grondig te onderzoeken in EAB of uitleveringszaken. Rechter Spano verduidelijkt dit in zijn eensluidende opinie (gedeeld door rechter Pavli).