Grondwettelijk Hof
75/2022
Publiek recht - Zeevaart - Opvarenden - Verstekelingen aan boord van Belgische schepen - Verstekelingen in een Belgische haven - 1. Gelijke behandeling van verstekelingen - 2. Vasthouden van verstekelingen aan boord van een schip - 3. Verschil in behandeling tussen verstekelingen en personen die worden teruggedreven aan een landgrens en tussen verstekelingen en vliegtuigpassagiers - 4. Herinschepen van een verstekeling - 5. Verwijdering van de verstekelingen door de reder - 6. Inlichtingen die door de gezagvoerder aan de autoriteiten worden meegedeeld - 7. Optreden van de scheepvaartpolitie - 8. Machtiging aan de Koning

Verzoekers, een aantal vzw’s, wensen een aantal artikelen van het Belgisch Scheepvaartwetboek te vernietigen. Verzoekers menen dat het beginsel van gelijke behandeling onvoldoende is gewaarborgd. Ze zijn van mening dat de individuele vrijheid van verstekelingen niet is gewaarborgd doordat de bestreden bepalingen het vasthouden van verstekelingen op schepen, buiten de aansprakelijkheid van de Belgische Staat en zonder dat er een beroepsmogelijkheid openstaat, toestaan en zelfs aanmoedigen. Daarnaast vinden zij dat de bestreden bepalingen een schending toelaten van het recht op asiel, het recht op non-refoulement, het recht om een menswaardig leven te leiden, het recht op leven, het recht op lichamelijke integriteit en op morele integriteit - in het bijzonder die van kinderen - en het recht op vrijheid en veiligheid, in zoverre zij de verwijdering van vreemdelingen toelaten zonder dat eerst wordt nagegaan welke risico’s zij lopen in geval van terugkeer naar hun land van oorsprong.

 

Een eerste punt van kritiek betreft de identieke behandeling van verstekelingen. Volgens de verzoekers is er geen objectieve of redelijke verantwoording hiervoor. Daar komt bij dat volgens verzoekers verstekelingen onder de rechtsmacht van de Belgische Staat vallen en bijgevolg ontscheept moeten worden en onder de bescherming van de autoriteiten moeten worden geplaatst. Tevens zijn verzoekers van mening dat de maritieme autoriteiten een ontscheping moeten kunnen toelaten zelfs wanneer de verstekeling niet in het bezit is van de nodige reisdocumenten. Ten tweede doen de verzoekende partijen gelden dat de bestreden bepalingen de maatregelen tot repatriëring van verstekelingen over zee niet met de nodige waarborgen omringen. In een derde middel hekelen de verzoekende partijen de te ruime machtiging die de wetgever aan de Koning heeft gegeven en die er volgens hen toe leidt dat in werkelijkheid de reeds povere waarborgen die de wet aan buitenlandse verstekelingen biedt worden geschrapt.

 

De Ministerraad voert echter aan dat de verzoekende partijen uitgaan van een verkeerde lezing van de regels van het maritiem recht en van het migratierecht. Verwerende partij beklemtoont dat de regels inzake grenscontrole nog steeds toegepast moeten worden. De Ministerraad brengt in herinnering dat iedere verstekeling nog steeds een verzoek om internationale bescherming kan indienen bij de scheepvaartpolitie die de Dienst Vreemdelingenzaken zal verwittigen via het Maritiem Informatiekruispunt.

 

Het Grondwettelijk Hof merkt op dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie niet uitsluit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het Hof verduidelijkt dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Volgens het Hof is het redelijk verantwoord is dat de verstekelingen onder toezicht van de gezagvoerder blijven en dus niet worden ontscheept. Het doel is namelijk de veiligheid van het schip en het welzijn van de verstekelingen te verzekeren. Voorts moet het algemeen verbod van ontscheping en het aan boord houden van een verstekeling de bevoegde Belgische autoriteiten ook toelaten de controle aan de buitengrenzen in de zin van Schengengrenscode uit te oefenen en een illegale toegang tot het Belgische grondgebied te vermijden. Het aan boord houden van een verstekeling op een schip in een Belgische haven en het algemene verbod van ontscheping van verstekelingen zijn in ieder geval pertinente maatregelen. Desalniettemin zijn ze niet evenredig tot de nagestreefde doelstellingen.

Wat betreft het vasthouden van verstekelingen aan boord van een schip zeggen verzoekers dat dit vergelijkbaar is met een gevangenneming. Het Hof is de mening toegedaan dat het gedwongen vasthouden van verstekelingen aan boord van een schip in een Belgische haven een dermate aanzienlijke beperking van de bewegingsvrijheid van de verstekelingen vormt dat er sprake is van vrijheidsberoving in de zin van artikel 5, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De vraag rijst naar de rechtvaardiging van de inmenging in dit recht. Iedere arrestatie of vasthouding dient een wettelijke grondslag te hebben en deze wet moet bovendien voldoende toegankelijk en nauwkeurig zijn teneinde elk risico van willekeur te vermijden. In casu is er zo’n wetsbepaling, die er onder meer in voorziet dat de verstekeling onverwijld in kennis wordt gesteld over de redenen van zijn vasthouding in een taal die hij begrijpt, dat er een recht op beroep is en juridisch bijstand, niet. De inmenging wordt dan ook niet gerechtvaardigd.

 

Met betrekking tot herinschepen van een verstekeling is het Hof kort. Het stelt dat de wet van 15 december 1980 van toepassing op de situatie van verstekelingen, ongeacht of zij zich aan boord van een schip bevinden dan wel het schip zonder toelating hebben verlaten.

 

Aangaande de verwijdering van de verstekelingen door de reder vat het Hof samen dat waar dit gebeurt door de reder, dit steeds op verzoek is van de scheepvaartpolitie en met andere woorden dus door de bevoegde overheden wordt uitgevoerd.

 

Over de inlichtingen die door de gezagvoerder aan de autoriteiten worden meegedeeld maakt het Hof duidelijk dat deze overdracht van informatie essentieel is onder meer om te waarborgen dat aan verstekelingen niet de toegang tot de procedure van internationale bescherming wordt ontzegd.

 

Omtrent het optreden van de scheepvaartpolitie verklaart het Hof verzoekers betoog tevens ongegrond. De opdrachten van de scheepvaartpolitie belemmeren niet het optreden van Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van een verzoek om internationale bescherming vanwege verstekelingen.

 

Wat tot slot de machtiging aan de Koning betreft, stelt het Hof dat uit het verzoekschrift niet blijkt dat de bestreden bepaling een aangelegenheid betreft die door de Grondwet aan de wetgever is voorbehouden, noch dat de aan de Koning verleende machtigingen de bevoegdheidverdelende regels zouden schenden.

 

Het Hof besluit aldus tot een gedeeltelijke vernietiging van de bestreden bepaling uit het Belgisch Scheepvaartwetboek.