Hof van Justitie
C-406/18
(PG t. Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal) Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk beleid inzake asiel en subsidiaire bescherming – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning van de internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Artikel 46, lid 3 – Volledig en ex-nunconderzoek – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel – Bevoegdheden en verplichtingen van de rechter in eerste aanleg – Geen bevoegdheid tot wijziging van de besluiten van de op het gebied van internationale bescherming bevoegde autoriteit – Nationale regeling die voorziet in een procestermijn van zestig dagen

De zaak PG betrof de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming aangevraagd door een Iraakse Koerd, met aan het afwijzingsbesluit een terugkeerbesluit en een verblijfverbod van twee jaar gekoppeld. Tegen dit besluit werd beroep aangetekend door PG bij de verwijzende rechter. Het werd echter duidelijk dat het niet het eerste besluit ter afwijzing van het verzoek om internationale bescherming was. Reeds twee eerdere eenzelfde besluiten werden aangenomen en vervolgens in het kader van een beroepsprocedure nietig verklaard. Het is niet toegestaan om besluiten op het gebied van internationale bescherming te wijzigen, maar louter om besluiten nietig te verklaren, waarbij de betrokkene opnieuw in de positie van de verzoeker wordt geplaatst. Bijgevolg vraagt de verwijzende rechter zich af of het louter nietig verklaren van afwijzingsbesluiten, zonder een mogelijk om dit te wijzigen, in overeenstemming is met het beginsel van doeltreffende voorziening in rechte voortvloeiend uit artikel 47 EU-Handvest. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af of de procestermijn van maximaal 60 dagen voor gerechtelijke asielprocedures, zonder hierbij rekening te houden met individuele omstandigheden of specifieke kenmerken van de zaak, niet in de weg staat aan datzelfde beginsel van een doeltreffende voorziening in rechte zoals voorzien in artikel 47 EU-Handvest.

Het Hof start zijn betoog over de eerste vraag met een verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak in de arresten Alheto (C-585/16, EU:C:2018:584) en Torubarov (C-556/17, EU:C:2019:626). Aangezien deze arresten een afdoende antwoord bieden op de eerste vraag, herhaalt het Hof louter zijn rechtspraak. Zo zal een procedure waarbij de nationale rechter een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming louter nietig verklaart op zich geen beletsel vormen t.a.v. artikel 46, lid 3, Richtlijn 2013/32 gelezen in het licht van artikel 47 EU-Handvest, wanneer er binnen een korte termijn een nieuw besluit wordt vastgesteld dat in overeenstemming is met de beoordeling van het vonnis. Indien de nationale rechter een besluit na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming echter nietig verklaart, dan is de administratieve autoriteit overeenkomstig artikel 47 EU-Handvest verplicht om deze internationale bescherming toe te kennen, tenzij een nieuwe geactualiseerde beoordeling nodig is. De niet-naleving van dit oordeel van de nationale rechter door de administratieve autoriteit heeft dus tot gevolg dat de nationale rechter dergelijk besluit van de administratieve overheid moet wijzigen en zijn eigen oordeel moet in de plaats stellen.

Daarnaast oordeelt het Hof over de korte procestermijn voor de beoordeling van een afwijzingsbesluit getroffen door de administratieve overheid in het kader van internationale bescherming. Deze vraag betreft – aldus advocaat-generaal Bobek – een tegenovergestelde vraag, waarbij niet moet worden nagegaan of een procedure te lang duurt, maar of de procedure te kort is, waardoor het recht van een partij op een eerlijk proces wordt geschonden. Aangezien er geen geharmoniseerde regels zijn op EU-niveau, herinnert het Hof het beginsel van procedurele autonomie waarbij rekening moet worden gehouden met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Hoewel het opleggen van een procestermijn van maximum 60 dagen in beginsel niet in strijd is met deze beginselen, vereist het doeltreffendheidsbeginsel wel dat deze termijn, in het licht van redelijke procestermijnen overeenkomstig artikel 46, lid 4, Richtlijn 2013/32, in staat moet stellen om een degelijk onderzoek te verrichten. Indien de procestermijn niet in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel, dan zal de rechter deze termijn als richttermijn beschouwen, waarbij de rechter zo spoedig mogelijk de zaak moet behandelen wanneer de termijn is overschreden.

Het Hof komt dus tot het besluit dat de nationale maatregelen waarbij de nationale rechter louter de bevoegdheid heeft om besluiten op het gebied van internationale bescherming nietig te verklaren zonder te wijzigen enerzijds en waarbij een procestermijn van maximum 60 dagen opgelegd wordt voor deze beoordeling anderzijds in se niet in strijd zijn met artikel 47 EU-Handvest, hoewel dit sterk dient te worden genuanceerd in het licht van een doeltreffende rechtspleging.