Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
252.187
Verzoek om internationale bescherming – asiel – Colombia – intra-familiaal geweld – geweld tegen vrouwen – bescherming door nationale autoriteiten – verwerping

Voorts stelt de Raad vast dat verzoekers niet aantonen dat zij geen toegang hadden of in geval van terugkeer zullen hebben vanwege de Colombiaanse autoriteiten tegen mogelijk gewelddadig gedrag van verzoeksters ex-partner.

 

Volgens artikel 48/5 § 2 van de Vreemdelingenwet kan vervolging of ernstige schade uitgaan van of veroorzaakt worden door niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in a) en b), inclusief internationale organisaties geen bescherming als bedoeld in § 2 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade. De bescherming door de overheid of partijen of organisaties die de Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen, moet doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn en wordt in het algemeen geboden wanneer de in artikel 48/5 § 1 bedoelde actoren van bescherming redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen en wanneer de verzoeker toegang tot dergelijke bescherming heeft. Het is in beginsel aan verzoekers om aan te tonen dat in hun individueel geval geen overheidsbescherming beschikbaar is. De bewijsstandaard die wordt gehanteerd is evenwel afhankelijk van de algemene omstandigheden in het land van herkomst en de individuele omstandigheden van de zaak. (zie EASO, “Qualification for international protection (Directive 2011/95/EU) - A Judicial Analysis”, december 2016, p. 59, 63 en 68; UNHCR guidance note on refugee claims relating to victims of organized gangs, maart 2010, pt. 27).

 

Volgens haar verklaringen belde verzoekster de politie op 27 mei 2019 maar toen die niet opnam en nadat haar broer haar gezegd had de tralies voor de ramen neer te laten besloot ze een klant te bellen wiens echtgenoot politieman is, waarna een patrouille is langsgekomen die uiteindelijk haar belager heeft meegenomen (zie ook video-opname waarvan zich een transcript in het administratief dossier bevindt). Verzoekster dook onder bij haar broer D. en legde een klacht neer op 28 mei 2019 wegens intra-familiaal geweld bij het parket. Daarop werd een beschermingsbevel uitgevaardigd door het parket. Van zowel de klacht als het beschermingsbevel werd door verzoekster een kopie neergelegd (administratief dossier, documenten voorgelegd door de asielzoeker, stukken 2 en 3).

 

De Raad benadrukt dat internationale bescherming slechts kan worden toegekend bij gebrek aan nationale bescherming. Verzoekers moeten daarbij aannemelijk maken dat zij alle, in hun individuele omstandigheden, redelijke en nuttige beschermingsmogelijkheden vanwege de Colombiaanse overheid hebben uitgeput.

 

De Raad stelt vast dat verzoekster volgens haar verklaringen haar partner gedurende haar 19-jarige relatie met hem een aantal keren agressief is geworden en dat dit geleid heeft tot haar tijdelijke verhuizing naar Bogota. Evenwel blijkt ook uit haar verklaringen dat zij zich voor het eerst tot de Colombiaanse autoriteiten wendde op 27 mei 2019 om tussen te komen in het incident met haar expartner en dat zij op 28 mei een klacht neerlegde. Hoewel uit haar verklaring dat zij voordien nooit hulp zocht (notities PO eerste verzoekster, p. 13) niet noodzakelijk volgt dat de relatie met haar ex-partner minder problematisch zou geweest zijn dan zij het voorstelt, kan de Raad niet anders dan vaststellen dat zij zich voor het eerst tot de autoriteiten richtte in mei 2019 en dat er beschermingsmaatregelen werden genomen door de Colombiaanse autoriteiten. Uit de verklaringen van verzoekster blijkt dat de politie haar belager meenam op 27 mei 2019 (notities PO eerste verzoekster, p. 11) en dat het parket ook een wijkagent had aangesteld om haar te beschermen (idem) en later dat “ze stuurden mij toen ook twee politieagenten om mij ook te bewaken. Ze kwamen altijd. Ze deden me toen iets tekenen, ze vroegen hoe het met mij ging en vroegen of mijn ex-partner was gekomen” (notities, p. 14).

Verder blijkt uit haar verklaringen dat na het incident op 27 mei 2019 verzoekster noch haar zoon in contact zijn gekomen met de ex-partner van verzoekster (notities PO eerste verzoekster, p. 15), toen zij bij haar broer woonden. Verzoekers tonen niet aan dat de beschermingsmaatregelen die werden genomen niet beantwoorden aan de criteria van artikel 48/5 van de Vreemdelingenwet, noch dat zij geen toegang tot bescherming vanwege de overheid zullen hebben indien verzoekers opnieuw zouden worden lastiggevallen door de ex-partner van eerste verzoekster.

 

De Raad herinnert er aan dat de verplichting voor staten om redelijke maatregelen te nemen om vervolging of ernstige schade te voorkomen en de plicht hebben hun burgers te beschermen maar dat dit geen resultaatsverbintenis is en dat absolute bescherming in elk geval onmogelijk is.

 

Verzoekers voeren aan dat er in theorie mechanismes in het leven zijn geroepen om intra-familiaal geweld aan te pakken maar dat uit de femicide-cijfers blijkt dat er geen effectieve bescherming bestaat vanuit de Colombiaanse overheden om vrouwen tegen partnergeweld te beschermen. Uit de landeninformatie toegevoegd aan het administratief dossier blijkt dat in 2008 wet 1257/2008 werd aangenomen inzake de sensibilisering, preventie en sanctionering van alle vormen van geweld en discriminatie tegen vrouwen; dat de wet 294/1996 intra-familiaal geweld strafbaar stelt; dat een Actieplan werd gelanceerd in 2010 en dat vier steden vluchthuizen hebben voor vrouwen. Verder wordt aan zowel gehuwde als ongehuwde vrouwen in situaties van geweld gratis juridische bijstand geboden en hebben slachtoffers van intra-familiaal geweld toegang tot een gespecialiseerde rechtbank (zie administratief dossier, landeninformatie, University of Minnesota, General Background on Colombian Laws on Violence against Women, Orders of Protection and Shelters en OECD Development Centre, Colombia). Evenwel blijkt uit deze informatie ook dat geweld tegen vrouwen in Colombia hoog blijft en dat er institutionele obstakels blijven bestaan voor de effectieve uitvoering van sommige bepalingen van wet 1257/2008.

 

De Raad minimaliseert geenszins de ernst van partnergeweld tegen vrouwen, maar stelt vast dat uit de door verzoekers neergelegde informatie niet kan blijken dat de door de Colombiaanse overheden geboden beschermingsmaatregelen niet doeltreffend zouden zijn, noch dat verzoekster er geen toegang toe zou hebben. Dit kan in elk geval niet blijken uit de in het verzoekschrift geciteerde studie over de perceptie van vrouwen in de samenleving door de Colombiaanse overheid, nu dit geen enkele informatie bevat over de bestaande beschermingsmaatregelen noch de doeltreffendheid hiervan. Ook het geciteerde rapport van Amnesty International, dat de patronen van intra-familiaal geweld in het algemeen beschrijft, maar verder geen informatie bevat met betrekking tot Colombia, bevat geen enkele informatie waaruit kan blijken dat de door de Colombiaanse overheid geboden bescherming niet doeltreffend of in de praktijk niet toegankelijk zou zijn. Waar verzoekers nog informatie aanbrengen waaruit blijkt dat het departement Huila de regio is met het hoogste aantal gevallen van gender gerelateerd en huiselijk geweld, wijst de Raad er op dat niet betwist wordt dat geweld tegen vrouwen in Colombia vaak voorkomt, maar dat een algemene verwijzing naar landeninformatie niet volstaat om een gegronde en actuele vrees voor vervolging in hoofde van verzoekers aan te tonen en dat dit geen afbreuk doet aan bovenstaande vaststellingen waaruit blijkt dat in hoofde van verzoekers individuele beschermingsmaatregelen werden genomen.

 

Ook uit de door verzoekers door middel van een aanvullende nota neergelegde documenten die door hun advocaat in Colombia werden doorgestuurd kan niet blijken dat verzoekers geen toegang hadden tot overheidsbescherming noch dat zij daarvan verstoken zullen zijn in geval van terugkeer. Met name uit de “controlelijst beschermingsmaatregel mevrouw S.M.C.C” samen gelezen met haar verklaringen tijdens het persoonlijk onderhoud, blijkt dat op regelmatige wijze een politieagent langskwam toen zij bij haar broer verbleef tot enkele dagen voor haar vertrek uit Colombia. Bovendien maakt verzoekster, zoals hoger aangehaald, geen gewag van verdere problemen die zij zou hebben gehad met haar expartner na het incident op 27 mei 2019. Dat er geen onderzoek is gevoerd of geen stappen zijn ondernomen tegen J.F., zoals wordt gesteld in het door verzoekers Colombiaanse advocaat opgestelde document toegevoegd aan het verzoekschrift en waarvan een beëdigde vertaling wordt neergelegd door middel van verzoekers aanvullende nota, toont als dusdanig niet aan dat geen overheidsbescherming voorhanden is of zal zijn in geval van terugkeer en doet geen afbreuk aan het voorgaande waarbij werd vastgesteld dat de politie is tussengekomen tijdens de ruzie tussen eerste verzoekster en haar ex-partner; dat daarna beschermingsmaatregelen zijn opgelegd en dat verzoekers verder niet meer in contact zijn gekomen met J.F. of door hem zijn lastig gevallen.

 

Het door verzoekers bij aanvullende nota neergelegde attest van psycholoog B.S.B. van 12 januari 2012 en het medisch attest van 5 juni 2019 dat door verzoekers door middel van een aanvullende nota worden neergelegd, kunnen geen ander licht werpen op bovenstaande beoordeling met betrekking tot verzoekers verklaringen. Waar in beide documenten wordt gesteld dat eerste verzoekster problemen had met haar ex-partner en door hem “psychologisch en economisch mishandeld” werd, wijst de Raad er op dat deze documenten gebaseerd zijn op verzoekers verklaringen en dat deze als dusdanig geen afbreuk doen aan bovenstaande vaststellingen dat verzoekers na het incident aan het beautysalon niet meer lastig werden gevallen door eerste verzoeksters ex-partner; zij lang hebben gewacht om Colombia te verlaten en om een verzoek om internationale bescherming in te dienen wat minstens de ernst van de voorgehouden vrees ondermijnt en dat zij niet aannemelijk makend dat zij geen toegang hadden of zullen hebben tot overheidsbescherming. Waar het attest van de psycholoog, opgesteld na teleraadpleging nog stelt dat in Colombia “vervolging voor dit soort geweld zeer zwak [is], daarom zijn de gevallen overheersend waardoor er al vrouwenmoorden zijn voorgevallen in gelijkaardige gevallen”, en verzoekers benadrukken in hun aanvullende nota dat deze psycholoog een gerechtsdeskundige is met specifieke kennis betreffende het lot van slachtoffers van partnergeweld, kan de Raad volstaan met te verwijzen naar het voorgaande zodat om dezelfde redenen ook dit attest de beoordeling van de Raad niet kan ombuigen.

 

Uit het voorgaande blijkt dat verzoekers niet aantonen dat verzoekers dat er in hun individuele omstandigheden geen overheidsbescherming aanwezig is voor slachtoffers van intra-familiaal geweld, noch dat zij er geen toegang zouden toe hebben in geval van terugkeer naar Colombia.

 

Gelet op het voorgaande, cumulatief beoordeeld in het licht van de beschikbare landeninformatie en de door verzoekers neergelegde documenten, stelt de Raad vast dat in hoofde van verzoekers geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan worden aangenomen.