Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
210.788
Unieburger – BGV – bijlage 13 – geen termijn – verzoeker opgesloten in gevangenis – tussenstaatse overbrenging – art. 44ter Vw. – vernietiging

Verzoeker, aan wie een bevel om het grondgebied te verlaten wordt uitgereikt, is een burger van de Unie. Artikel 44 ter, eerste lid van de Vreemdelingenwet luidt als volgt:

“Het bevel om het grondgebied te verlaten, afgegeven aan een burger van de Unie of zijn familielid, vermeldt de termijn binnen welke hij het grondgebied van het Rijk moet verlaten. Behalve in naar behoren aangetoonde dringende gevallen, mag deze termijn niet korter zijn dan een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing.”

 

Uit bovenvermelde bepaling blijkt duidelijk dat het bevel om het grondgebied te verlaten dat gegeven wordt aan een EU-onderdaan, de termijn moet vermelden binnen dewelke hij het grondgebied moet verlaten en dat deze termijn niet korter mag zijn dan een maand behalve in naar behoren aangetoonde dringende gevallen.

 

Het bevel om het grondgebied te verlaten vermeldt echter, zoals verzoeker terecht opmerkt, geen enkele termijn. Evenmin wordt gemotiveerd waarom er geen termijn wordt vermeld. De Raad kan verzoeker dan ook volgen wanneer hij de schending van artikel 44 ter, eerste lid van de Vreemdelingenwet opwerpt.

 

In haar nota stelt de verwerende partij op dit punt het volgende:

“Verwerende partij heeft de eer te antwoorden dat het in casu gaat over een uitvoeringsmodaliteit. Verzoeker zit momenteel in België een straf uit en de bedoeling is dat hij die straf verder uitzit in zijn land van herkomst aangezien hij nog niet vrijstelbaar is. Het betreft een tussenstaatse overbrenging zonder instemming (georganiseerd door de FOD Justitie). De FOD Justitie heeft alvorens te kunnen overgaan tot een tussenstaatse overbrenging een BGV nodig van de Dienst vreemdelingenzaken. Een termijn is niet mogelijk gezien verzoeker nog opgesloten zit om zijn straf uit te zitten en hij dient nu die straf verder uit te zitten in Polen. Voor een tussenstaatse overbrenging zonder instemming heeft de FOD justitie een BGV nodig om aan te tonen dat verzoeker hier geen recht op verblijf heeft. Het BGV wordt uitgevoerd de dag van de overbrenging vanuit de gevangenis naar de gevangenis van het land van herkomst. M.a.w. verzoeker valt eigenlijk nog onder Justitie voor zijn straf. Door geen termijn te vermelden in het BGV wordt verzoeker sowieso automatisch 30 dagen de tijd gegeven om het grondgebied te verlaten.”

 

De Raad kan niet anders dan vaststellen dat dit alles niet in de eerste bestreden beslissing kan worden gelezen en het dus een aposteriori motivering betreft waarmee de verwerende partij de vastgestelde onwettigheid niet ongedaan kan maken. De Raad ziet ook niet in wat de grondslag is voor de stelling van de verwerende partij dat “Door geen termijn te vermelden in het BGV […] verzoeker sowieso automatisch 30 dagen de tijd [wordt] gegeven om het grondgebied te verlaten” en ziet tevens niet in hoe het bevel om het grondgebied te verlaten een uitvoeringstermijn van 30 dagen kan bedragen als verzoeker niet de gelegenheid krijgt om vrijwillig het grondgebied te verlaten. Verwerende partij stelt immers in haar nota dat verzoeker thans opgesloten zit in de gevangenis en dat het bevel om het grondgebied te verlaten wordt uitgevoerd de dag van de overbrenging vanuit de Belgische gevangenis naar de gevangenis van het land van herkomst. De stelling dat het bevel om het grondgebied te verlaten een uitvoeringstermijn van 30 dagen heeft, is trouwens strijdig met wat hogerop in de nota kan gelezen worden, met name “Een termijn is niet mogelijk gezien verzoeker nog opgesloten zit om zijn straf uit te zitten en hij dient nu die straf verder uit te zitten in Polen”. De verwerende partij kan ten slotte de termijn in een beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten die getroffen wordt ten aanzien van een EU-onderdaan niet dienstig gaan minimaliseren tot een uitvoeringsmodaliteit omdat artikel 44ter van de Vreemdelingenwet dat als een wezenlijk onderdeel beschouwt van het bevel om het grondgebied te verlaten en hierin voorziet in een gebonden bevoegdheid voor de verwerende partij.