Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
145.913
Gezinshereniging – familielid van een Belg – art. 40ter Vw. – stabiele en toereikende bestaansmiddelen – referentiepersoon – eigen bestaansmiddelen aanvrager – beschikken over bestaansmiddelen – herkomst van de bestaansmiddelen – vernietiging

Uit de motivering van de beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden blijkt dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de door verzoeker aangebrachte stukken aangaande zijn persoonlijke tewerkstelling. Verweerder heeft hierbij toegelicht dat artikel 40ter van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het de Belgische onderdaan is die vervoegd wordt door verzoeker die moet aantonen over voldoende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen te beschikken zodat er geen rekening kan worden gehouden met de documenten die verzoekers persoonlijke tewerkstelling en dus eigen bestaansmiddelen betreffen. Verweerder verliest hierbij evenwel uit het oog dat artikel 40ter van de Vreemdelingenwet niet voorziet dat enkel rekening dient te worden gehouden met de inkomsten die de Belgische onderdaan zelf genereert, doch wel met deze waarover deze Belgische onderdaan “beschikt”. Het is te dezen niet uitgesloten dat verzoekers echtgenote kan beschikken over de inkomsten uit een tewerkstelling van verzoeker. Verwerende partij is dit echter niet nagegaan omdat ze van oordeel is dat “het […] de Belgische onderdaan [is] die zich wenst te laten vervoegen, die dient aan te tonen over voldoende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen te beschikken”.µ

 

Artikel 40ter van de Vreemdelingenwet stelt niet de minste vereiste met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen van de Belgische onderdaan. Het staat bijgevolg vast dat verweerder op basis van een te enge en dus verkeerde lezing van artikel 40ter, tweede lid van de Vreemdelingenwet concludeerde dat er geen rekening kan worden gehouden met de documenten die de persoonlijke tewerkstelling van verzoeker betreffen om te bepalen of verzoekers echtgenote al dan niet over “bestaansmiddelen [die] ten minste gelijk zijn aan honderd twintig procent van het bedrag bedoeld in artikel 14, § 1, 3° van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie” beschikt.