Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
220.401
Dublin III – art. 29.2 Dublin III-Vo. – verlenging overdrachtstermijn – onderduiken – opvangcentrum verlaten zonder adres na te laten – HvJ 19 maart 2019, nr. C-163/17, Jawo – weerlegbaar vermoeden – verzoeker toont niet aan dat hij zich niet wou onttrekken aan de autoriteiten – verwerping

Naar aanleiding van de oproepingsbrief waarbij beide partijen werden uitgenodigd om, met toepassing van artikel 39/62 van de Vreemdelingenwet, alle inlichtingen en bescheiden over te maken met betrekking tot de actuele situatie van verzoeker die mogelijk een gevolg kunnen hebben voor de behandeling van huidig beroep, heeft verweerder voorafgaand aan de terechtzitting nog bijkomende informatie overgemaakt. Hieruit blijkt dat de gemachtigde aan de Dublindienst van Duitsland op 18 december 2018 een schrijven heeft gericht waarin hij de Duitse instanties meedeelt dat de overdrachtstermijn op grond van artikel 29.2 van de Dublin III-verordening moet verlengd worden tot 18 maanden omdat verzoeker ondergedoken zou zijn.

 

Ter zitting vond bijgevolg een tegensprekelijk debat plaats aangaande de rechtmatigheid van de verlenging van de overdrachtstermijn. Of verzoeker kan beschouwd worden als “ondergedoken” moet in het licht van het arrest Jawo t. Duitsland van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17 beoordeeld worden.

Zoals blijkt uit het arrest Jawo, bestaat een weerlegbaar vermoeden dat indien verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten, zonder de bevoegde nationale autoriteiten op de hoogte te brengen van zijn afwezigheid, hij in principe als ondergedoken mag worden beschouwd.

 

In casu blijkt uit de bij de actualisatie gevoegde gegevens door de gemachtigde dat op 26 november 2018 een e-mail werd gestuurd door H.G., “verbindingsambtenaar OTP Arendonck en Klein kasteeltje”, waarin wordt meegedeeld dat verzoeker in Arendonck verbleef en het centrum had verlaten zonder een adres na te laten. De raadsvrouw van verzoeker betwist dit niet.

 

Het arrest Jawo voorziet evenwel een aantal belangrijke nuances op dit vermoeden van onderduiken, met name dat de verzoeker moet geïnformeerd worden over de verplichting de instanties op de hoogte te brengen van zijn afwezigheid, dat de betrokken verzoeker de mogelijkheid behoudt om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij de mogelijkheid behoudt aan te tonen dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten. Hierop gaat de raadsvrouw evenwel in het geheel niet in ter zitting. Zij stelt enkel dat verzoeker woonstkeuze heeft gedaan op het adres van zijn advocaat. De Raad gaat er evenwel van uit dat verzoeker niet op dat adres verblijft, wat de raadsvrouw ter zitting ook bevestigt. Bijgevolg blijkt dat deze woonstkeuze de gemachtigde niet de praktische mogelijkheid biedt om aan zijn verplichting te voldoen verzoeker binnen de termijn van zes maanden na het akkoord van Duitsland over te dragen aan die lidstaat. Hiermee toont verzoeker niet aan dat hij niet de bedoeling heeft gehad zich aan de autoriteiten te onttrekken.